'Al blijft het bijna elke dag een strijd om iedereen te overtuigen van het belang van biodiversiteit’, zegt tuinier Guido*. ‘Biodiversiteit betekent leven, want zonder bloemen bijvoorbeeld geen bijen. En zonder bijen geen bevruchting van onze groenten en ons fruit. Toch staat maar zo’n vijfde van de mensen open voor groen dat z’n gang mag gaan.’
‘Zelfs in mijn eigen straat begrijpen buren niet altijd waar ik mee bezig ben. Tussen mijn voortuin en de weg werk ik aan een bloemrijk grasland met zeldzame planten, maar tot ik er paaltjes plaatste, werd het vooral als parkeerplaats gezien.’
Groene woestijn
‘Een strak gazon is eigenlijk een groene woestijn’, legt Guido uit. ‘Er zit geen leven in. Geen bloemen, geen insecten, geen bijen.’ In plaats van grasvelden zo kort mogelijk te houden, werkt Guido liever aan natuurbeheer: bermen omvormen tot bloemenweides, grachten vrijmaken en invasieve soorten bestrijden. ‘Japanse duizendknoop verstikt alles, Amerikaanse vogelkers neemt bossen over en de Afrikaanse klauwkikker eet de inheemse amfibieën in ons land op.’
‘In steden wordt groen meer gewaardeerd dan op het platteland’
Vooral in de bestrijding van die laatste is Guido ondertussen specialist. ‘Zelf aangeleerde specialist, want de problemen met exoten zijn vaak zo nieuw dat nog niemand er al een oplossing voor bedacht. Al voelt het soms ook als dweilen met de kraan open. Mensen beseffen niet hoe snel zo’n soort zich verspreidt.’
Poten in de modder
Onze voeling met en kennis over de natuur baart Guido zorgen. ‘Op twee generaties tijd is zoveel verloren gegaan. Onze grootouders wisten nog welke planten eetbaar waren, hoe je de seizoenen kon lezen. Nu bellen mensen de dierenbescherming omdat ze denken dat een koe die in een nat weiland staat mishandeld wordt. Maar zo’n dier heeft niets liever dan met de poten in modder te staan.’
Ook de manier waarop we naar tuinen kijken, is veranderd. ‘Vroeger was een haag gewoon een haag. Nu moet die strak geschoren zijn. Het idee dat natuur rommelig mag zijn, is voor velen nog moeilijk te accepteren.’
Toch lijkt er stilaan iets te bewegen. ‘In steden wordt groen meer gewaardeerd, misschien omdat er zo weinig is. Daar krijgt het bestuur steeds vaker de vraag van bewoners om bloemenweides of wadi’s aan te leggen. Maar op het platteland? Daar wordt groen nog vaak als gewoon gras gezien, iets dat kort moet blijven.’
Toeschouwers
Guido en zijn collega’s krijgen vaak toeschouwers. ‘Soms zijn mensen nieuwsgierig. Dat is fijn. Maar er zijn er ook die denken het beter te weten. Dat is niet tuinieren, zeggen ze dan als we selectief maaien of wanneer we dood hout laten liggen voor insecten en egels.’
‘Op twee generaties tijd is veel kennis over de natuur verloren gegaan’
Zelfs bedrijven die de biodiversiteit willen helpen, snappen het niet altijd. ‘Na het inzaaien van een bloemrijk grasland bij een bedrijf, vroegen ze even later of we die lelijke gele pisbloemen – paardenbloemen dus – konden weghalen. Terwijl ze net subsidies hadden gekregen voor de aanleg van dat biodivers stuk groen.’
Toch blijft Guido optimistisch. ‘Steeds meer mensen stellen vragen. Hoe kan ik mijn tuin natuurlijker maken? Wat kan ik doen voor insecten? Mijn antwoord is altijd: werk zo weinig mogelijk in de tuin. Maar als ik daarna opnieuw het gazon bij een industrieterrein perfect kort moet maaien, weet ik: we zijn er nog lang niet.’
* Guido is een schuilnaam

