De deconventioneringsgolf van de logopedisten komt niet als een verrassing. Er heerst al langer onvrede bij de beroepsvereniging voor logopedisten over het ereloon. Vorige maand kreeg elke actieve logopedist ook 30 dagen de kans om het opgelegde akkoord met de tariefafspraken die voor 2022 en 2023 gelden, te verwerpen.
Nu blijkt dat bijna 60 procent van alle logopedisten de afgesproken tarieven verwerpt en zich dus deconventioneert. Logopedisten die de conventie volgen, gaan akkoord met een tarief van 29,28 euro per halfuur. Daarvan is 5,5 euro remgeld en dus ten laste van de patiënt. Gedeconventioneerde logopedisten zijn vrij om hun eigen tarieven te bepalen en kunnen extra supplementen aanrekenen.
Verwacht wordt dat het supplement wellicht 4,12 euro zal bedragen, wat de totale eigen kost voor patiënten van niet-geconventioneerde logopedisten op 9,62 euro brengt per sessie. ‘We erkennen dat er een probleem is met de verloning van logopedisten, maar betreuren dat de patiënt voor de kosten zal moeten opdraaien,’ zegt Luc Van Gorp.
Signaal aan beleid
De kosten voor logopedie zal voor heel wat gezinnen dus sterk stijgen. Van Gorp: ‘Kinderen gaan meermaals per week naar de logopedie. Dan loopt het snel op. We merken dat logopedie ook een van de zorguitgaven is die als eerste sneuvelt, door de prijs en de intensiteit van de behandeling. Op geneesmiddelen wordt bijvoorbeeld minder snel bespaard.’
De ziekenfondsen starten binnenkort met nieuwe onderhandelingen over het budget van de gezondheidszorg voor 2023 en de daaropvolgende jaren. Ook een verhoging van de tarieven voor de logopedisten ligt op tafel. ‘We willen het engagement aangaan om binnen de budgettaire ruimte te werken aan een verhoging van de erelonen van logopedisten. Het budget kan echter enkel stelselmatig worden vrijgemaakt’, stelt Luc Van Gorp. ‘Het is er niet van de ene dag op de andere en zelfs niet van het ene jaar op het andere. Op termijn willen we tot een gedragen overeenkomst komen. Dat zoveel logopedisten de tarieven niet willen volgen, is alvast een duidelijk signaal aan het beleid: zitten we met de manier waarop we tot conventies komen wel op het goede spoor?’

