De drie wetgevende instellingen van de Europese Unie — het Europees Parlement, de Europese Raad en de Europese Commissie — bereikten afgelopen woensdag een akkoord over een richtlijn voor Europese minimumlonen. ‘Voor miljoenen Europeanen zonder een degelijk minimumloon is dit een heel belangrijk moment’, zegt Europees Parlementslid Cindy Franssen (cd&v), die het dossier namens de Commissie Vrouwenrechten meeonderhandelde.
Het minimumloon kent in de Europese Unie grote verschillen, van €362,97 bruto per maand in Bulgarije tot €2 256,95 in Luxemburg. Volgens Eurostat riskeert zo’n 22 procent van de Europese bevolking armoede of sociale uitsluiting, nochtans heeft één op de vijf mensen in die groep werk.
De richtlijn legt geen vast bedrag als minimumloon vast, dat blijft een nationale bevoegdheid. Wel stimuleert ze daarin de betrokkenheid van sociale partners en collectieve onderhandelingen. Een vast kader moet de lidstaten toelaten om na te gaan of de nationale minimumlonen een menswaardige levensstandaard garandeert. Dat schrijft ook vaste referentiewaarden voor: 60 procent van bruto mediaanloon en 50 procent van het gemiddelde brutoloon. 23 van de 27 EU-lidstaten voldoet daar momenteel niet aan. Bovendien komt er een jaarlijkse monitoring en verplichte rapportering van de lidstaten over de minimumlonen.
Nationale praktijken
‘De richtlijn verplicht lidstaten om samen met de sociale partners maatregelen te ontwikkelen die de collectieve onderhandelingsmacht van werknemers in alle Europese landen versterken’, legt algemeen secretaris van het ACV Marie-Hélène Ska uit. Belangrijk daarbij is dat het akkoord niet zozeer een homogenisering van het sociaal overleg in Europa nastreeft, maar de nationale autonomie van sociale partners en ingeburgerde onderhandelingspraktijken wil waarborgen. De richtlijn respecteert dus de bestaande aanpak van het sociaal overleg in landen als België.
‘De richtlijn stelt duidelijke criteria voor de minimumlonen’, zegt Cindy Franssen, ‘maar laat anderzijds ook voldoende ruimte aan de lidstaten om zelf met initiatieven te komen om de minimumlonen te verhogen.’
Sinds het recente optrekken van de Belgische minimumlonen staat ons land op een tweede plaats van alle lidstaten met een brutominimumloon van €1 806,16 per maand. ‘Voor ons land zal de impact van de nieuwe regelgeving dan ook eerder beperkt zijn’, zegt Franssen, ‘maar dit is een grote stap vooruit in de strijd tegen lage lonen en armoede onder werkenden in Europa. In lidstaten waar lage minimumlonen gelden, is de armoede het grootste. Bovendien leiden die lage lonen tot sociale dumping.’
Einde van Europese soberheid
Adjunct-secretaris-generaal van het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV) Esther Lynch gelooft dat het akkoord een gamechanger kan zijn voor werknemers overal in Europa. ‘Miljoenen werknemers worstelen met de stijgende levensduurte. Ze hebben recht op een eerlijk loon dat op zijn minst garant staat voor een degelijke levensstandaard.’
Van zodra de richtlijn formeel afgeklopt is, krijgen lidstaten twee jaar de tijd om ze om te zetten in nationale wetgeving. Lynch roept de nationale ministers en Europese parlementen dan ook op om het akkoord nu zo snel mogelijk te gieten in een formele richtlijn. ‘Na een decennium van bezuinigingen en soberheid, maakt Europa de omslag naar een economie op basis van hoge lonen en werknemersrechten, in plaats van armoede en precariteit’, besluit ze.

