Er waait een koude tocht door ons democratisch landschap. Minister van Binnenlandse Zaken Bernard Quintin (MR) wil extremistische organisaties kunnen ontbinden zonder tussenkomst van een rechter. Organisaties die geen strafbare feiten plegen maar wel scherpe kritiek uiten, kunnen het zwijgen worden opgelegd met één verslag van een veiligheidsdienst. Klinkt daadkrachtig, dat wel. Maar het geeft de uitvoerende macht een ronduit gevaarlijk privilege.
Het Federaal Instituut voor de Rechten van de Mens noemde het voorstel al ‘te vaag, te breed’ en ‘een bedreiging voor fundamentele vrijheden’. Terecht. Want wie bepaalt wat extremistisch is? Vandaag is het Samidoun (een pro-Palestijnse organisatie), morgen misschien een klimaatorganisatie, een vakbond, een kritische denktank. De grens tussen radicalisme en extremisme is dunnetjes en veelal politiek gekleurd. Radicalisme daagt uit, extremisme verwerpt. Maar in de praktijk worden deze begrippen vaak op één hoop gegooid.
Zelfcensuur
Vrijheid van meningsuiting is geen luxe. Het is het fundament van verdraagzaamheid, een oogmerk van een volwassen overheid. Zonder het recht om te spreken, daarentegen, of te organiseren en te protesteren, wordt het stil. En stilte is zelden neutraal. Ze is meestal de veelzeggende uitwas van een overheid die geen tegenspraak duldt. Repressie is dan niet veraf en creëert een zogenoemd chilling effect: het middenveld gaat zichzelf censureren uit angst voor verbod. Het publieke debat verarmt, activisme wordt verdacht gemaakt.
Dit wetsvoorstel is machtsmisbruik onder het mom van veiligheid. Dat noem ik geen bescherming van de democratie, dat is haar ondermijning. Want wie vandaag zwijgt over de ontbinding van ‘extremistische’ organisaties, mag of wil morgen zelf niet meer spreken.
Radicaal kiezen voor een zachtere wereld, is niet extreem. We moeten waakzaam zijn. Niet voor de stemmen die schuren, maar voor de macht die ze wil smoren.
Julie Hendrickx Devos, voorzitter beweging.net

