Over het verloop van de formatie zal nog menig boek worden gepubliceerd, zeker over de manier waarop de onderhandelaars van de vijf partijen er al of niet in slaagden het ultieme regeerakkoord vorm te geven. Wie de teksten van de formateur, inmiddels premier, van augustus vorig jaar erbij neemt, kan inderdaad zien dat er en cours de route belangrijke wijzigingen werden aangebracht.
Maar eigenlijk zegt dat niet zoveel. Het startpunt van de onderhandelingen zat zo vol met onzinnige en ondoordachte voorstellen, dat het al een verrassing is dat men op die basis is blijven onderhandelen. Dat wreekt zich in het finale akkoord. Het is duidelijk dat de tactiek van de N-VA om telkens opnieuw hetzelfde slechte menu voor te schotelen ertoe geleid heeft dat de andere partijen veel hebben geslikt.
Kritiek vanuit linker- en rechterzijde wordt door opiniemakers nogal snel in een valse equivalentie gezet, om te besluiten dat dit een centrumakkoord is. Dat is het niet. Het is een rechts akkoord met hier en daar een links accent.
Dat er kritiek kwam vanuit linker- en rechterzijde wordt door opiniemakers nogal snel in een valse equivalentie gezet, om te besluiten dat dit een centrumakkoord is. Dat is het niet. Het is een rechts akkoord met hier en daar een links accent. Dat blijkt uit de keuzes die wel én niet worden gemaakt. En dat blijkt uit de cijfers de men voorlegt in de begroting voor de komende jaren.
Het is belangrijk om die cijfers – hoe onwaarschijnlijk ze ook zijn – even weer te geven.
Tegen 2029 wil de regering een tekort van 23,3 miljard euro wegwerken. Nochtans zou 16 miljard moeten volstaan binnen het Europees opgelegde traject, op een (nog goed te keuren) termijn van zeven jaar. De regering wil bijkomend de 3 procent-begrotingstekortnorm halen tegen 2030 én nieuw beleid voeren, vandaar de nood aan 23,3 miljard nieuwe middelen.
Meer dan een derde daarvan, 8,1 miljard, komt direct uit de sociale zekerheid en met name uit de beperking van de werkloosheidsuitkeringen, de besparingen in de pensioenen en het volledig wegknippen van de welvaartsenveloppe. Daarbovenop komt nog een half miljard uit de gezondheidszorg.
Daarna volgen zware besparingen in de overheid, zowel in het overheidsapparaat als in het beleid, voor nog eens 2,6 miljard. Ingrepen in het migratiebeleid, met een verlaging van de toekenning van bescherming en ondersteuning, zorgen voor nog eens 1,4 miljard.
Nauwelijks nieuwe inkomsten
Daartegenover zijn de nieuwe inkomsten van de zogenaamde ‘sterkste schouders’ beperkt tot 2,2 miljard. Het regeerakkoord trekt immers hard aan de rem voor de middelen die vanuit die hoek mogen worden opgehaald. Volgens de eigen logica van de onderhandelaars mag het slechts gaan om maximaal een negende, of 11 procent, van de inspanningen.
Daarbij werd zeer creatief gerekend, want eigenlijk zijn er slechts 1,4 miljard, of 6 procent, werkelijk nieuwe bijdragen, waarvan 500 miljoen van de zo gecontesteerde meerwaardebelasting. De overige 800 miljoen komt van fiscale en sociale fraude. De sterkste schouders gewoon correct laten bijdragen, door fraude tegen te gaan, is voor sommigen blijkbaar ook al een ‘inspanning’.
Creatieve rekenkunde is het geheel niet vreemd. Maar liefst een derde van de besparingen moet komen uit terugverdieneffecten. Dat zijn dan vooral ‘meer mensen aan het werk’ en de daarbij horende inkomsten uit belastingen en sociale bijdragen. De reductie van de sociale uitgaven is namelijk al verrekend.
Kortom, de kern van de begrotingsinspanning zit in een reeks structurele en discretionaire besparingen.
Begrijpelijk dat de nieuwe regering doortastend optreedt. Maar de keuze van de maatregelen voorstellen als de enige mogelijke piste, is niet correct en allerminst neutraal.
Maar moest er dan niet bespaard worden? De inspanning is misschien pijnlijk, maar toch noodzakelijk? There is no alternative, weet u wel.
Natuurlijk kan deze begroting niet los worden gezien van de context waarin de regering aantreedt. Het begrotingstekort voor 2024 bedroeg 4,6 procent en loopt de komende jaren systematisch op bij ongewijzigd beleid. België is gevat door de nieuwe Europese begrotingsregels en zit onder curatele in de buitensporige schuldprocedure. Tegelijk is de internationale context buitengewoon uitdagend, met een slabakkende Europese industrie en dreigende handels- of andere oorlogen.
Ook wij begrijpen dat een nieuwe federale regering doortastend optreedt. Maar de keuze van de maatregelen – waarbij vooral de sociale zekerheid de prijs van de sanering betaald – voorstellen als de enige mogelijke piste, is niet correct en allerminst neutraal. Die aanpak surft voort op een jarenlange campagne om de sociale zekerheid als centrale federale steunpillaar te ondergraven. Het Europees begrotingskader biedt de perfecte aanleiding.
Te danken aan Michel
Tijdens de verkiezingscampagne maakten De Wever en co handig gebruik van de idee dat het begrotingstekort het resultaat is van een te gul sociaal beleid van de Vivaldi-regering. Het loont echter de moeite om terug te keren in de tijd, naar de regering-Michel die met veel bravoure uitpakte met haar tax shift, een naam die is blijven plakken, ook al was het een ordinaire tax cut.
Tenminste voor bedrijven, want van vermogensfiscaliteit kwam toen niets in huis.
Btw-verhogingen werden daarentegen wel doorgevoerd. Volgens de laatste cijfers van het Federaal Planbureau kostte de verlaging van de werkgeversbijdragen – zonder compensatie – de sociale zekerheid 8 miljard euro in 2024. De verlaging van het tarief in de vennootschapsbelasting loopt op tot een kostprijs van meer dan 5 miljard.
Meer dan 60 procent van de begrotingsinspanning die nu moet gebeuren, schijnbaar met veel tegenzin en zin voor zelfopoffering, is dus te danken aan de onvoldragen beslissing van partijen die opnieuw de dienst uitmaken.
Gelet op de terugverdieneffecten waarop de regering rekent, zou men kunnen denken dat de klemtoon in het regeerakkoord ligt op de ondersteuning van wie werkt. In de plaats daarvan is het vooral een bestraffend verhaal voor iedereen die, om welke reden ook, niet werkt. Daarbij worden alle groepen die de rechterzijde en de werkgevers de voorbije jaren viseerden er nog eens doorgehaald.
Deze regering leeft in de liberale illusie dat werknemers vandaag geen bescherming nodig hebben, dat ziekte en werkloosheid keuzes zijn en dat collectieve problemen door mensen ieder voor zichzelf opgelost moeten worden. Armen en nieuwkomers zijn de eerste slachtoffers, gevolgd door zieken, en al helemaal de werklozen.
Treffend met dit volledig mannelijke kernkabinet is dat vooral vrouwen de gevolgen zullen dragen van de weinig doordachte loopbaanmaatregelen.
Vae victis
De ondertoon van misprijzen voor de zogenaamde niet-actieven is in elk onderdeel van het regeerakkoord voelbaar. Voor armen speelt de waan dat stapels uitkeringen zich ophopen in de sociale bijstand, hoewel alleen theoretische casussen de ronde doen en er geen enkele empirische evidentie is.
Het akkoord maakt zelfs een opening om delen van het leefloon in natura uit te betalen. Onder voorwaarden, voorlopig, maar het vraagt geen helderziendheid om te weten dat de volgende rechtse eis een ‘algemene toepassing’ daarvan wordt. Voor nieuwkomers is de meerjarige uitsluiting van sociale bijstand het gevolg, zowel voor het leefloon als voor de inkomensgarantie voor ouderen. De rechten van vluchtelingen krijgen een knauw door hun statuut terug te schroeven naar ‘subsidiair beschermden’.
Als het gaat over zieke mensen is er nergens sprake van genezing of herstel. Aan preventie wordt slechts lippendienst bewezen.
Als het gaat over zieke mensen is er nergens sprake van genezing of herstel. Aan preventie wordt slechts lippendienst bewezen. Wel duidelijk is dat elke zieke zo snel mogelijk, los van de gezondheidstoestand, moet opgejaagd worden om te gaan werken. Ziekenfondsen of artsen die niet streng genoeg zijn, moeten ‘geresponsabiliseerd’ (lees: bestraft) worden. Net als de zieke zelf natuurlijk. Die krijgt sneller een sanctie of verliest zijn uitkering.
Werklozen delen het zwaarst in de klappen. Die groep, die de voorbije tien jaar alleen kleiner is geworden, en ondertussen het laagste aandeel uitmaakt van de uitgaven in de sociale zekerheid, wordt ongegeneerd weggezet als ‘profiteurs’. De werkloosheidsuitkering wordt in duur beperkt tot maximaal twee jaar, en bij jongeren zelfs tot één jaar. De uitzondering voor 55-jarigen is gekoppeld aan onrealistische loopbaanvoorwaarden, waardoor net de zwakste groep er niet op zal kunnen rekenen.
Volledig schaamteloos is het schrappen van het belastingvoordeel voor werklozen. Een ‘voordeel’ klinkt slecht als het over werklozen gaat, maar de facto zal dat alle minima onder het leefloon brengen. Blijkbaar hebben werklozen zelfs geen recht meer op minimale sociale bijstand.
Stok (en wortel?)
De stok is duidelijk. Is er dan geen wortel? Niet in het arbeidsmarktbeleid alvast. Daar kiest men volop voor flexibilisering op maat van werkgevers, waarbij men de passend genaamde scharreljobs normaliseert. Studentenuren worden verruimd, flexi-jobs ook, net als het gebruik van fiscaal voordelige overuren.
Dat onthalen individuele werknemers soms positief, maar doen iedereen als groep verliezen, zeker in het licht van de opheffing van de grenzen van de minimale arbeidsduur (voorheen een derde van een voltijdse overeenkomst). Het versterkt de mechanismen van flexibele afroepcontracten waarin iedereen vervangbaar is, en zet druk op de jobzekerheid en arbeidsvoorwaarden van alle werknemers.
Een verhoging van de nettolonen, met focus op de lonen onder de mediaan, wordt nu vooropgesteld, maar de cijfers geven aan dat deze operatie pas echt op gang komt tegen 2029. Als er dan nog geld is.
Het resultaat is onstabiele en onvolledige loopbanen die later, met dank aan de pensioenmaatregelen, een tweede keer worden bestraft. Het nieuwe familiekrediet – een ‘rugzakje’ met verlofrechten per kind, opneembaar door elke (groot- en pleeg)ouder – had een poging tot verlichting van de loopbaan kunnen zijn, maar dat voordeel wordt tenietgedaan door de inperking van de eindeloopbanen, met de stopzetting van het SWT en de beperking van de landingsbanen. Dat gaat recht tegen sociale akkoorden in, maar rechtszekerheid geldt blijkbaar niet voor werknemers.
Is de wortel dan niet de fiscale hervorming? Het is veel gevraagd als die alles moet rechttrekken voor de werkende bevolking. Wat voorligt is nog maar een verre schaduw van de fiscale hervorming die voormalig minister van Financiën Vincent Van Peteghem (cd&v) in de vorige regering op tafel legde. Daar waren ook wel wat haken en ogen aan, maar had concrete ambitie.
Een verhoging van de nettolonen, met focus op de lonen onder de mediaan, wordt nu vooropgesteld, maar de cijfers geven aan dat deze operatie pas echt op gang komt tegen 2029. Als er dan nog geld is. De jaren daarvoor gaat het om een zeer bescheiden aanzet. Zeker met het verdwijnen van de Vlaamse jobbonus zal dat niet de grote winst betekenen voor de lage inkomens.
Voor wie een partner zonder, of met alleen een bescheiden inkomen heeft, zal de halvering van het huwelijksquotiënt de balans mogelijk zelfs negatief doen uitslaan. Bovendien lijkt de uitwerking op een bijkomende tax cut, zonder compenserende maatregelen, die de begroting van deze en toekomstige regeringen onder druk zet.
Gaan we hiermee de begroting redden?
Voor wie niet wakker ligt van sociaal kwetsbaren is bovenstaande misschien helemaal niet zo erg, maar de lichtzinnigheid waarmee de begroting is gebouwd op ongefundeerde terugverdieneffecten moet zelfs begrotingspuristen doen fronsen. Het doet vermoeden dat de ambitie om verder in het sociaal weefsel te hakken groot is.
Daarbij zijn de bepalingen veelzeggend dat de belastingdruk niet mag stijgen in verhouding tot het bbp en dat de bijdrage van de sterkste schouders doorheen de hele legislatuur maar een negende van de totale inspanning mag bedragen.
Een derde van de begrotingsinspanning moet komen van bijkomende tewerkstelling. Het is uiteraard niet vreemd dat een regering verwacht dat beleid een positief effect heeft op de arbeidsmarktparticipatie. Tenminste, als daar effectief beleid rond gevoerd wordt. Maar ideeën om de tewerkstellingskansen te verhogen voor wie nu niet werkt, zijn volledig afwezig.
Er is slechts de hoop dat wie nu niet aan een job raakt morgen opeens wel alle nodige competenties en vaardigheden heeft, dat wie ziek wordt vanzelf geneest om geen pensioen te verliezen, en dat langer werken zonder ondersteuning niet nog meer uitval zal veroorzaken. Studies tonen voldoende aan dat daar niet de grote winst verwacht moet worden.
Hoe we aan een tewerkstellingsgraad van 80 procent moeten raken, is een raadsel. Behalve een beperkte responsabilisering bij ziekte is het zoeken naar enige rol en verplichting van ondernemingen in jobcreatie, of om te voorzien in aangepast werk voor ouderen, zieken en werkzoekenden.
Integendeel, elke uitbreiding van het werkvolume (overuren, studentenjobs en zo meer) wordt vrijgesteld van belastingen en sociale bijdragen, en bevat dus geen inkomsten voor de overheid en het stelsel van sociale zekerheid. Daarbovenop krijgen ondernemingen wel nog eens 2 miljard euro toegestoken aan lastenverlagingen en voordelen. Het economisch beleid vervalt zo weer in de vaste oude patronen die ons in de Europese top hebben gebracht van bedrijfssubsidies.
Scandinavisch model
Alternatieven zijn er wel degelijk. Zowel om de werkzaamheid te verhogen als om de begroting te saneren. Door echt in te zetten op preventie – zoals van musculoskeletale aandoeningen, een rechtstreeks werkgerelateerd probleem – kan men de toestroom van intussen een derde van alle langdurig zieken een halt toeroepen en meteen al 3 miljard besparen. Een striktere toepassing van en controle op de welzijnsbepalingen en een dwingender kader voor aangepast werk zijn daar evidenties.
Het Scandinavisch model correct bestuderen – en dus ook meer verlofperiodes verschaffen, net als mogelijkheden voor mensen om zich volledig te herscholen – zal de uitval verminderen, langere loopbanen mogelijk maken en de productiviteit verhogen. Globaal genomen is onze productiviteit, nog meer dan de werkzaamheidsgraad de beste manier om onze welvaart te versterken.
Een zeer vertrouwd patroon: deze zelfverklaarde 'hervormingsregering' verschuift geld naar werkgevers, en verbouwt wat in de fiscaliteit, terwijl ze de sociale zekerheid laat betalen.
Maar ondanks enkele vermeldingen is het zoeken naar maatregelen die daadwerkelijk de productiviteit kunnen doen stijgen. Laat staan dat opleidingskansen eindelijk de aandacht krijgen die ze verdienen, net nu de Europese Unie en de OESO aanmanen om ze te versterken.
Op fiscaal beleid en sociale bijdragen laten we opnieuw evidenties liggen. Dat deze coalitie de tax shift niet wil herzien, hoeft niet te verbazen, maar de onwil om zelfs de onbeperkte vrijstelling van sociale bijdragen voor de eerste werknemer na unanieme adviezen van sociale partners en het Rekenhof niet te schrappen, is veelzeggend.
Laat staan dat men de btw-ontwijking ten gronde aanpakt. Een kleine oefening die 4 miljard kan opleveren, volgens de Europese Commissie, tot 11 miljard, volgens het IMF.
Maar die keuzes worden niet gemaakt. Deze zelfverklaarde hervormingsregering vertoont daarmee uiteindelijk een zeer vertrouwd patroon. Ze verschuift geld naar werkgevers, en verbouwt wat in de fiscaliteit zonder door te pakken, terwijl ze de sociale zekerheid en zo de werknemers laat betalen.
Kortom, er wacht ons een lange regeerperiode waarin bij elke begrotingscontrole ingehakt wordt op sociale bescherming en waarbij toekomstige generaties vooral de echte rekening mogen betalen met meer precariteit en minder zekerheid. Van het beschermen van ons ‘kostbare weefsel’, toch de ambitie van deze premier volgens zijn eigen boeken, valt maar weinig te bespeuren.

