In alle eerlijkheid, we zagen het als een middel om Brussel opnieuw te vervlaamsen. Door de stevige uitbouw van kwaliteitsvol Nederlandstalig onderwijs in onze hoofdstad zouden we er geleidelijk aan in slagen om de verfransing te keren. Althans, daarvan waren we overtuigd.
In september 1971 kregen gezinshoofden in Brussel toelating om zelf te beslissen of hun kinderen naar een Nederlandstalige of Franstalige school gingen. Voordien moesten Nederlandstalige kinderen naar Vlaamse scholen en Franstalige kinderen naar Franse scholen.
Die liberté du pére de famille was een echte verfransingsmachine. Duizenden Vlaams-Brusselse kinderen werden vanaf toen ingeschreven in het Franstalig onderwijs, omwille van de enorme sociaaleconomische druk. Ouders voedden hun kinderen Franstalig op in de hoop dat ze zo zouden stijgen op de sociale ladder.
Het Nederlandstalig onderwijs in Brussel is slachtoffer geworden van zijn eigen succes.
De verfransing nam enorm toe. Op enkele decennia tijd werd Brussel een in hoofdzaak francofone stad. In de jaren zeventig en tachtig vocht het Nederlandstalig onderwijs voor zijn overleven. Begin jaren tachtig moesten promotiecampagnes het Nederlandstalig onderwijs ondersteunen en vanaf 1985 steeg het aantal leerlingen in het Nederlandstalig basisonderwijs opnieuw. Nadien volgde het secundair.
Het Nederlands was in opmars. Als je je kinderen een goede toekomst wou geven, was de keuze voor Nederlandstalig onderwijs bijna vanzelfsprekend. Inmiddels is het Nederlandstalig onderwijs in Brussel het slachtoffer van zijn eigen succes geworden. Niet enkel de kwaliteit, maar ook de kwantiteit staat onder druk.
Keerpunt
We zijn op een keerpunt gekomen. Er is sterk geïnvesteerd in de uitbouw van het Nederlandstalig onderwijs. De Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) zorgde voor moderne en degelijke nieuwe scholen. De Vlaamse Gemeenschap voorzag de middelen voor de groei aan personeel en materiaal. Maar de massale toestroom van Franstalige én anderstalige kinderen in het Nederlandstalig onderwijs heeft tot een sterke daling van de kwaliteit geleid.
De instroom van anderstalige en Nederlands onkundige kinderen in het eerste jaar secundair onderwijs is zo groot dat de kwaliteit van nogal wat scholen erbarmelijk is. In sommige scholen is slechts een klein percentage van de leerlingen het Nederlands kundig wanneer ze hun Nederlandstalig diploma secundair onderwijs ontvangen.
De instroom van anderstalige en Nederlands onkundige kinderen in het eerste jaar secundair onderwijs is zo groot dat de kwaliteit van nogal wat scholen erbarmelijk is.
De lat wordt te laag gelegd. Leerlingen laten zakken, is vaak onbespreekbaar. Sommige leerlingen mogen daardoor ongestraft en ongehinderd hun gang gaan. Goede leerkrachten haken zo massaal af. De huidige toestand is niet langer houdbaar.
Dit is geen verwijt aan de leerkrachten. Integendeel. Zij verdienen alle lof. Maar ze worden onvoldoende ondersteund. De eisen die gesteld worden aan nieuwe leerlingen binnen het secundair zijn veel te laag.
Zwak en onbetrouwbaar
De uitdagingen beginnen al in het kleuteronderwijs. Van bij de start moeten kleuters in een taalrijke omgeving terechtkomen. De lat moet hoog liggen. Leerlingen zouden pas naar het secundair mogen doorstromen, wanneer zij over een stevige basis Nederlands beschikken. Anders lopen ze verloren in het Nederlandstalig onderwijs.
Ook van de ouders mag een steviger engagement geëist worden. Zij dragen net zo goed verantwoordelijkheid voor de taalverwerving van hun kinderen.
Ja, misschien is voor deze ommekeer een vermindering van het aanbod noodzakelijk. Kan dat pas dan opnieuw kwaliteitsvoller worden. Alleen verstrengde taaleisen kunnen het Nederlandstalig onderwijs opnieuw een absolute meerwaarde geven voor anderstalige Brusselaars en zo bijdragen aan de emancipatie van heel wat kansengroepen.
Zonder het roer om te gooien, gaat het Nederlandstalige onderwijs dezelfde weg op als het Franstalige: zwak en onbetrouwbaar.

