Welke beelden hanteren we over de democratie? Hoe kijken we bijvoorbeeld naar het populisme van links en rechts? Toont het een crisis van de democratie, of is het een rechtmatige democratische uiting van ongenoegen omdat die democratie geen vat lijkt te (willen) hebben op de economie, er niet in slaagt om ongelijkheid te bestrijden en een rechtvaardiger systeem te realiseren?
Democratie en crisis: in die beeldvorming lijkt dat een Siamese tweeling. Maar is de democratie in crisis, of moet ze met steeds meer crises afrekenen?
In de dominante beeldvorming over democratie staat het nationale niveau centraal, en ontwikkelt zich vervolgens de discussie volgens wat politicoloog Michael Saward in Democratic Design (2021) first order-benaderingen noemt. Het debat gaat dan over institutionele stelsels. Voor sommigen staat een renovatie van de representatieve democratie centraal, voor anderen zijn deliberatieve vormen via loting de oplossing, en voor nog anderen referenda of een verlichte technocratie.
Democratie vorm krijgt in talloze gemeenschappen, en rond een panoplie van thema’s, van zorg tot open ruimte en erfgoed.
Een rijker beeld op collectieve besluitvorming biedt een second order-benadering. Democratie is het resultaat van een whole system. We kijken dan niet alleen naar het nationale niveau. Het ruime lokale niveau en vele maatschappelijke domeinen schuiven in ons blikveld. Democratie vorm krijgt in talloze gemeenschappen, en rond een panoplie van thema’s, van zorg tot open ruimte en erfgoed.
We zien hoe besluitvorming groeit rond verschillende thema’s en in alle circuits van de samenleving, in het onderwijs, de zorg, of de private sector. En in de keuzes van het dagelijkse leven, waarbij elke burger de worsteling met democratie ervaart en daarin een positie bekleedt. Die politiek van het dagelijkse leven is democratie op microniveau.
Het gaat om duizenden demoi, waar besluitvorming plaats heeft. Mensen staan met elkaar in contact en geven op uiteenlopende manieren vorm aan bepaalde aspecten van de samenleving. Van de zorg in de buurt tot het behoud van het Amazonewoud. En overal zijn middenveldorganisaties actief. Zij zijn de bloedsomloop en het zenuwstelsel van de democratie.
Namens het volk
Middenveldorganisaties zijn autonome organisaties tussen overheid, markt en burgers die door groepen burgers worden opgericht en bestuurd. Het gaat van de grote vakorganisaties en werkgeversorganisaties, mutualiteiten, tot burgerinitiatieven op wijkniveau. Het middenveld verandert en is heterogeen. Militante klimaatgroepen dagen bijvoorbeeld de gevestigde milieuorganisaties uit. Mensen met een migratieachtergrond groeperen zich in eigen organisaties en komen voor hun eigen positie op.
Het middenveld herbergt zowel de actiegroep die voor de opvang van sans-papiers zorgt, als de actiegroep die vindt dat migratie moet stoppen. Sommige organisaties staan dicht bij de overheid, andere houden zich ver van elke overheidstussenkomst. Sommige organisaties vermarkten hun dienstverlening, andere vinden dat je eigen ziel verkopen.
Voor politieke partijen die zeggen te spreken ‘namens het volk’ is de intermediaire positie van het middenveld een hindernis.
De ruimte voor een actief middenveld vereist volgens Saward op systeemniveau vrijheid van spreken en een vrije pers, vrijheid van vereniging en een autonome justitie. In verontrustend veel landen zien we hoe de representatieve democratie degradeert tot een illiberale democratie, door het uithollen van die grondrechten.
Twee politieke krachten zetten in ons land de rol van het middenveld op systeemniveau onder druk. Voor politieke partijen die zeggen te spreken ‘namens het volk’ is de intermediaire positie van het middenveld een hindernis. Dat soort partijen houdt niet van de deliberatieve en bemiddelende functies die het middenveld kan vervullen en waaruit blijkt dat de burger niet bestaat.
Politieke partijen die geen onderdeel waren van de verzuiling en het neocorporatistische landschap dat ons systeem kenmerkt, verwijten het middenveld al te zeer deel te zijn van het overheidssysteem. Zij zien liever overheidsinitiatief dan publieke dienstverlening door het middenveld. Liever het primaat van de politiek dan medebeheer tussen middenveld en overheid.
Onderlinge afhankelijkheid
Laten we de drie basisfuncties van het middenveld nu bekijken vanuit het systeemperspectief: sociaal kapitaal, dienstverlening en politisering. De overheid en het middenveld zijn voor die drie functies veel meer van elkaar afhankelijk dan het dominante beeld van ‘de overheid versus het middenveld’ doet uitschijnen. Subsidiariteit, die volgens de klassieke invulling aan de basis ligt van de scheiding tussen middenveld en overheid, geeft onvoldoende inzicht in die afhankelijkheid.
Zowel overheid als middenveld hebben met een veranderende omgeving te maken. Een individualiserende samenleving die diverser wordt, en snelle veranderingen, crisissen en polarisatie kent, zorgt voor wispelturigheid. Zowel electoraal, wat politici aan den lijve ervaren, als voor het middenveld, waar vaker wisselende en tijdelijke engagementen voorkomen, zoals blijkt uit onderzoek van Stijn Oosterlynck, mezelf en anderen.
De overheid en het middenveld moeten beide met een participatieve omslag omgaan. Met die term doelen Stef Steyaert en ik op een grondstroom in de samenleving waarbij verantwoordelijken in de politiek en in organisaties te maken krijgen met een zich autonomer opstellende basis die zich roert en assertief is.
Zonder middenveld is er geen draagvlak voor de moeilijke keuzes die politici moeten maken.
Dat vergt op alle niveaus omgaan met lastige kiezers, klanten en burgers. Dat maakt het besluitvormingsproces voor zogenaamde wicked problems – zoals klimaat, migratie, ongelijkheid, mobiliteit, en ga zo maar door – vaak even belangrijk als de inhoud. Overheid en middenveld zijn daarvoor meer dan ooit van elkaar afhankelijk. Zonder middenveld is er geen draagvlak voor de moeilijke keuzes die politici moeten maken.
Het middenveld bouwt aan het sociaal kapitaal en aan de democratie door mensen bijeen te brengen, meningen te confronteren en gemeenschappelijkheid moeizaam op te bouwen. Overheden kunnen dat nooit alleen. Dat vereist van middenveldorganisaties wel openheid en een kritische reflectie over de betekenis van dat sociaal kapitaal. Voor buitenstaanders is dat nog vaak een black box.
We weten dat zeker op lokaal niveau sociaal kapitaal vooral te maken heeft met een sfeer van samen-zijn in gezelligheid en weinig met de politiserende betekenis van collectieve meningsvorming. Lokale afdelingen van grote organisaties haken daardoor vaak af, of distantiëren zich zelfs, van de maatschappelijke ambities van de organisatietop.
Krijgen confronterende meningen vorm in de buik van grote middenveldorganisaties, of mijden die de confrontatie?
We weten ook dat sociaal kapitaal in gevestigde organisaties selectief beperkt blijft tot autochtone burgers. Daarnaast zouden we meer moeten leren over de omgang met sociaal kapitaal bij onder meer werkgevers, werknemersorganisaties, mutualiteiten, of in de grote milieuorganisaties. Hoe krijgen thema’s zoals mobiliteit, ongelijkheid, migratie, klimaat … in die dagelijkse contacten op de werkvloer vorm, op het microniveau van de politiek van het dagelijkse leven?
Krijgen confronterende meningen vorm in de buik van die grote organisaties, of mijden organisaties de confrontatie? We weten er te weinig over en middenveldorganisaties pakken veel te weinig uit met het maatschappelijke belang van dat interne werk.
Regie
Dat het middenveld publieke diensten levert, is zo oud als het middenveld zelf. Die actieve subsidiariteit is een wezenskenmerk van ons systeem. Zonder actieve steun van de overheid kan het middenveld die diensten niet blijven aanbieden.
Maar dat deel van ons systeem staat onder druk. Het middenveld claimt dat het om meer dan diensten gaat, en wel om de ondersteuning van burgers, zeker voor wie moeite heeft om toegang te krijgen tot diensten. Die pretentie verhoudt zich lastig tot vermarkting van sommige diensten, die soms zelf het gevolg is van afnemende overheidssteun.
Sommige politieke partijen vinden dat de overheid het beter kan, maar dat blijkt vaak evenzeer pretentie. De collectivisering van de integratiesector is daarvan een voorbeeld.
Nieuwe middenveldorganisaties in de vorm van burgercollectieven ontwikkelen nieuwe vormen van dienstverlening. Dat gaat van kinderopvang of patiëntenrechten, over zelf fijn stof meten, mobiliteitsplannen maken (denk aan Ringland in Antwerpen), energiecoöperatieven opstarten, tot daklozen of sans-papiers opvangen.
Allemaal voorbeelden van doe-democratie, waarbij dienstverlening ook een politiserende betekenis heeft. Wie coöperant is in een energiecoöperatie geeft bijvoorbeeld een signaal over de noodzakelijke omslag van het energiesysteem.
We moeten creatiever nadenken over de vormgeving van publieke partnerschappen tussen overheid en middenveld.
Ook hier blijkt de klassieke discussie (overheid of middenveld) nog maar weinig productief. Verhitte discussies over de rol van de overheid als actor met eigen diensten, of als regisseur van dienstverlening dienen eerder de eigen positie van overheid of middenveldorganisaties te beschermen. Soms, maar niet altijd en overal, is overheidsinitiatief cruciaal en kan dat samen gaan met regie.
Maar de combinatie van dienstverlener en medebeheerder van overheidsdiensten roept ook vragen op, met name over belangenbescherming en de blokkering van de toegang voor nieuwe groepen. We moeten dus creatiever nadenken over de vormgeving van publieke partnerschappen tussen overheid en middenveld.
In de gemiddelde Vlaamse gemeente zijn daarvoor maar weinig indicaties. Lokale overheden en het lokale middenveld leven in een LAT-relatie (living apart together). In grotere gemeenten daarentegen, zoals Molenbeek, Borgerhout, of Gent zagen we wel al boeiende en spannende interacties.
Schijnwerkelijkheid
De politiserende functie van het middenveld is met andere woorden verweven met zijn sociaal kapitaal en met de dienstverlening. Die functies zijn onderling verbonden.
Als we de politieke rol omschrijven als ‘het pleiten voor en nastreven van maatschappelijke en politieke verandering’, verwijzen we met politisering naar de processen en praktijken waarmee middenveldorganisaties vanuit hun maatschappelijke missie bijdragen aan het publieke meningsverschil over hoe we de samenleving het best organiseren.
Uit onze bevraging van het middenveld bleek dat de politieke rol pas op de derde plaats komt, na de gemeenschapsrol en de dienstverlenende rol. In de sociaalculturele sector leeft die politisering dan weer veel meer dan in de welzijnssector of de sociale economie. Wel zegt meer dan de helft van de organisaties nu meer aan politiek te doen dan voorheen.
Meer dan de helft van de bevraagde middenveldorganisaties zegt nu meer aan politiek te doen dan voorheen.
De manier waarop dat gebeurt, wijzigt. Als belangrijkste strategieën identificeren we de behartiging van de maatschappelijke belangen van de achterban, samenwerking met andere organisaties, zelf praktijken ontwikkelen om te tonen dat het anders kan, en invloed proberen uitoefenen op overheden of bedrijven.
Het middenveld vult die politieke rol dus vooral extern in. Een meer interne invulling, gericht op de mobilisering en sensibilisering van de eigen achterban, is minder aanwezig. Dat brengt ons terug bij wat we hierboven als een open vraag hebben omschreven naar de inhoud van het sociaal kapitaal.
Daarnaast stelden we vast dat projectsubsidies bij de overheid zeer populair zijn in het middenveld. Die passen goed in het model van het nieuwe publieke management. Projecten zijn tijdelijk en gericht op meetbare output. Dat creëert een schijnwerkelijkheid en is een nefaste evolutie voor de duurzaamheid en dieptewerking van het sociaal kapitaal dat nodig is voor wat we hierboven wicked problems hebben genoemd.
Ons onderzoek leerde evenwel dat de praktijk van de interactie tussen overheid en middenveld nog veel onderhandelbaarheid toelaat. Het is niet zo dat overheden de autonomie van het middenveld strak inperken.
Ongelijkheid
Onze invulling van de term politisering lijkt echter te beperkt om de impact op systeemniveau te vatten. In zijn boek De ongelijkheidsmachine (2023) haalt oud-journalist Paul Goossens een interessante figuur op uit de Verenigde Staten. Het snel dalende lidmaatschap van vakorganisaties na 1975 ging samen met de net zo snel toenemende economische ongelijkheid.
Dat sluit intuïtief aan bij de vaststelling dat ons land het al bij al relatief goed doet op het vlak van ongelijkheid, sociale zekerheid, koopkracht en de omgang met crisissen. De verwoestende impact van het neoliberalisme in andere landen wist ons systeem te temperen, onder andere door de sterkte van het middenveld en zijn verwevenheid met het politieke systeem.
Die verwevenheid maakt dat leven in een gestold land, zoals historici Kristof Smeyers en Erik Buyst het in hun gelijknamige boek omschrijven (2016), zo slecht nog niet. In plaats van ze aldoor in vraag te stellen, heeft onze democratie net nood aan meer systemische verwevenheid tussen overheid en middenveld.

