Bij de start van het nieuwe schooljaar hebben alle kleuterscholen in Vlaanderen er de mond van vol: de KOALA. Een gloednieuwe taalscreening, die vanaf oktober jaarlijks wordt afgenomen bij alle vijfjarige kleuters.
De screening komt er op vraag van minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA), die bezorgd is over het taalniveau bij leerlingen in ons Nederlandstalig onderwijs. Want uit onderzoek blijkt dat dat niveau al een tijdje daalt, en via zo’n taalscreening – die de taalvaardigheid van kinderen in kaart wil brengen – kunnen scholen inzicht krijgen in wie het goed doet en wie wat extra hulp nodig heeft. In dat opzicht is de komst van de KOALA een verrijking voor ons onderwijs, dat elk instrument om de groei en vorderingen van kinderen en jongeren op te volgen goed kan gebruiken.
Maar er zijn ook valkuilen bij het inzetten op (taal)testen. Een test is altijd een momentopname: wie de ene dag slecht scoort, had het de dag nadien misschien een pak beter gedaan. Taalontwikkeling is bij kleuters bovendien een grillig proces dat zich niet zo makkelijk laat vertalen in een testscore.
De resultaten van een instrument als de KOALA moet je daarom altijd naast andere inzichten leggen, zoals klasobservaties of gesprekjes met kleuters. In combinatie met die informatie krijgt zo’n testscore écht betekenis: een leraar die denkt dat het bij een kleuter moeilijk loopt qua taal, en dat in de KOALA bevestigd ziet, kan op basis daarvan extra taalstimulering bieden aan die kleuter, zodat die later goed voorbereid kan starten in het eerste leerjaar.
Daar zit ‘m de kracht van zo’n test: als een aanvulling op, en geen vervanging van de professionaliteit van leraren op de klasvloer.
