Arbeidsmigratie is er altijd geweest. Voor de Tweede Wereldoorlog vertrokken duizenden België zelf naar de Verenigde Staten om er te gaan werken en wonen. Daarna had België een tekort aan arbeidskrachten om in de mijnen te werken. Eerst zette België daarvoor Duitse krijgsgevangenen in. Toen die terugkeerden, waren het bijna exclusief Italianen die hun werk overnamen.
België zorgde slecht voor zijn arbeidsmigranten. Ze verbleven in slechte woningen, de oude legerbarakken waar ook de Duitse krijgsgevangen woonden, en werkten in onveilige omstandigheden. Na de mijnramp in Marcinelle in 1956, waar 262 mensen – onder wie 136 Italianen – om het leven kwamen, was de maat vol.
Sinds de jaren 2000 is er een nieuwe golf van arbeidsmigratie, in de eerste plaats van binnen de Europese Unie.
De migratie uit Italië stopte volledig en België sloot nieuwe akkoorden met onder meer Griekenland en Spanje, en tenslotte ook met Marokko en Turkije. Slechte woon-, opleidings- en werkomstandigheden, in de mijnen en in de industrie, waren opnieuw de regel. Het waren tenslotte gastarbeiders die zouden terugkeren naar hun land.
Maar de gastarbeiders bleven, brachten hun familie mee en maken tot op vandaag deel uit van ons land. Aldoor was het economische de enkele drijfveer. De recessie na de oliecrisis in 1973 leidde dan ook tot een migratiestop op basis van arbeid.
Sinds de jaren 2000 is er een nieuwe golf van arbeidsmigratie, in de eerste plaats van binnen de Europese Unie. De uitbreiding van de Europese Unie met 10 landen in 2004, en in 2007 met Roemenië en Bulgarije, zorgde er door de Dienstenrichtlijn van 2009 voor dat werknemers, voornamelijk uit Oost-Europese landen, bij ons kwamen werken. Tot op vandaag zijn Roemenen de snelst groeiende nationaliteit van arbeidsmigranten.
Detachering van derdelanders
Europese werknemers kunnen vrij aan de slag bij een Belgische werkgever, maar de grootste groep werknemers gaat via een detacheringscontract aan het werk. In 2020 werden 214.062 gedetacheerde personen geregistreerd in het verplichte Limosa-systeem. Vlaanderen zit rond de 165.000 personen.
Wat is een detacheringscontract?
In sommige sectoren vormen de gedetacheerde werknemers een belangrijke groep. In de bouwsector loopt dat op tot bijna 40 procent van de totale tewerkstelling. Maar controle op deze werknemers is moeilijk en bewijzen dat de sociale bijdrage betaald wordt, kost veel tijd en moeite.
Voor een korte tewerkstelling van minder dan drie maanden hoeven deze werknemers zich ook niet in te schrijven in de gemeente, controle op de huisvesting wordt zo ondoenbaar. Ondertussen nam onder andere de bouwsector verschillende maatregelen om misbruik terug te dringen, zoals een beperking van de verticale ondernemingsketen tot maximaal drie onderaannemingen.
In de bouwsector loopt het aandeel gedetacheerde werknemers op tot bijna 40 procent van de totale tewerkstelling.
Een nieuw fenomeen is dat 21 procent van deze gedetacheerde personen de nationaliteit heeft van een derde land. Vooral het aantal de derdelanders die werken via een EU-onderneming stijgt, van 4 procent in 2012 naar 18 procent in 2022.
Ze komen Europa binnen via een gecombineerde vergunning, waarna ze gedetacheerd worden naar alle Europese landen. Oekraïners en Wit-Russen komen via Polen, werknemers uit de Balkanlanden via Slovenië, Brazilianen via Portugal, ga maar door. Voor de Europese zendlanden spijst dat businessmodel hun eigen sociale zekerheid.
Arbeidsmarktkrapte
De ongekende arbeidsmarktkrapte in Vlaanderen zal de komende jaren aanhouden. De spanningsindicator – ofwel het aantal werkzoekenden zonder werk in bemiddeling per openstaande vacature bij de VDAB – daalde van 5,4 procent in december 2017 tot 2,3 procent in januari 2024, en de algemene knelpuntberoepenlijst van de VDAB telt in 2024 al 241 beroepen, 34 meer dan in 2022.
Bovendien zal de vergrijzing, en dus de vraag naar vervanging van 55-plussers, blijven stijgen.
Tegen 2070 zal de Europese bevolking op beroepsactieve leeftijd krimpen van ongeveer 65 procent naar 55 procent van de totale bevolking.
Dat maakt de nood om werknemers buiten Europa te rekruteren groter. Tegen 2070 zal de omvang van de Europese bevolking op beroepsactieve leeftijd door de vergrijzing krimpen van ongeveer 65 procent van de totale bevolking in 2019 tot 56 à 54 procent.
De migratiestromen uit Centraal en Oost-Europa konden tot nu dan wel tekorten opvangen, maar ook daar krijgt men te maken met almaar meer arbeidskrapte. Arbeidsmigratie uit derde landen kan dus, samen met een eigen arbeidsmarktbeleid, onze arbeidsmarkt op peil te houden.
Sinds de volledige omzetting van de Europese Single Permit-richtlijn in 2019 kunnen hooggeschoolden via een single permit of gecombineerde vergunning – aangevraagd door de werkgever voor zowel tewerkstelling als voor verblijf, voor drie jaar met eventuele verlenging – aan de slag met een Belgisch contract zolang werkgevers het loonbarema van minimum 46.000 euro betalen.
Een werkgever kan ook middengeschoolden uit derde landen aantrekken met een vergunning van maximaal een jaar, per jaar verlengbaar, voor een beperkte lijst van een dertigtal knelpuntberoepen die jaarlijks kan worden aangepast aan de noden van de arbeidsmarkt. Die lijst komt niet overeen met de gewone knelpuntberoepenlijst, maar ook daarvoor kan na arbeidsmarktonderzoek (een vacature moet negen weken openstaan bij de VDAB) een aanvraag voor een gecombineerde vergunning (GV) worden ingediend.
24.600 toelatingen tot arbeid in 2023
De doorlooptijd voor een GV wordt zo nog langer. Vandaag bedraagt die zo’n 120 dagen na ontvankelijkheid van het dossier, maar door het succes ervan is er een grote achterstand bij de administratie.
Afhankelijkheid
Arbeidsmigranten zijn door de GV gebonden aan hun werkgever. Zeker voor middengeschoolden is die afhankelijkheid groot, want de vergunning is maar een jaar geldig. De realiteit is dat arbeidsmigranten op een werkplaats komen zonder voorkennis van de arbeidsmarkt, of van hun rechten en plichten. Dat maakt misbruik mogelijk. Het beleid moet de rechten van de arbeidsmigrant waarborgen, willen we niet de fouten van het verleden herhalen.
Zeker de huisvesting van arbeidsmigranten, met name middengeschoolden, is een groot zeer in een oververhitte Vlaamse huizenmarkt. De Vlaamse wooninspectie is vandaag onderbemand om voldoende controle uit te voeren.
Arbeidsmigranten komen op een werkplaats zonder voorkennis van de arbeidsmarkt, of van hun rechten en plichten. Dat maakt misbruik mogelijk.
Misschien kunnen we inspiratie halen uit Nederlandse woningcorporaties die tot 30.000 woonplekken voor arbeidsmigranten hebben geleid, nadat sectororganisaties, vakbonden en gemeenten in 2012 samen met de Nederlandse overheid een ‘Nationale verklaring tijdelijke huisvesting EU-arbeidsmigranten’ opmaakten.
Als arbeidsmigratie een deel uitmaakt van onze arbeidsmarkt moeten we ervoor zorgen dat arbeidsmigranten op een correcte manier kunnen wonen. De werkgevers die arbeidsmigranten aantrekken dragen daarvoor de verantwoordelijkheid. Huisvesting moet dus gekoppeld zijn aan de procedure voor een gecombineerde vergunning, zeker voor grotere werven, en zou – om de afhankelijkheid te beperken – enkel via geregistreerde huurcontracten, los van het arbeidscontract, mogen gebeuren.
Een geïnformeerde werknemer is een beschermde werknemer. Vanaf de start moeten we arbeidsmigranten informeren over hun basisrechten, met betrekking tot wonen en werken in België. Wat te doen bij hun aankomst? Waar kun je een klacht kan indienen?
Nog beter zou zijn om het contract waarop de vergunning werd aangevraagd mee te geven met de inreisdocumenten, want we zien regelmatig dat de arbeidsmigrant een ander contract tekent dan het contract voor de vergunningsaanvraag. Na aankomst en binnen de drie maanden na de Dimona-aangifte zou elke arbeidsmigrant bovendien een instapcursus moeten krijgen in een van de verschillende thuistalen bij het Agentschap Inburgering en Integratie.
De Vlaamse regering heeft geld vrijgemaakt om in de vijf provinciehoofdsteden onthaalcentra voor arbeidsmigranten op te richten. Onze vrees is dat die vooral gericht zijn op hoogopgeleiden, maar de sectoren kunnen de toegang tot die centra wel faciliteren.
Inburgering
Het contract en bijkomende documenten zijn opgesteld in het Nederlands, of een andere landstaal die de arbeidsmigrant waarschijnlijk niet kan lezen. De contacttaal op de werkvloer zal in veel gevallen onbekend zijn. Ook dat geeft aanleiding tot misbruik.
Het lijkt ons moeilijk om arbeidsmigranten een inburgeringscursus met Nederlandse les te doen volgen, zoals voor andere migratiekanalen gangbaar is. Zo’n volledig traject duurt langer dan een jaar, terwijl de GV maar een jaar geldig is voor middengeschoolden.
Na indiening van een klacht zouden arbeidsmigranten een jaar de tijd moeten hebben, in plaats van de 180 dagen in het nieuwe migratiewetboek, om een nieuwe baan te zoeken, zoals het geval is in Canada en Finland.
Toch mogen we niet in dezelfde val trappen als in de beginjaren van de arbeidsmigratie in de jaren zestig. Vandaag kunnen arbeidsmigranten na vijf jaar een langdurig verblijf aanvragen, dan zijn ze niet meer afhankelijk van één werkgever.
Bij die aanvraag voor langdurig verblijf lijkt het evident om inburgering en Nederlandse les te verplichten. Voor sommige beroepen, zoals verpleegkundigen, is kennis van het Nederlands cruciaal. Dan moet Nederlandse les in thuisland, voorafgaand aan het vertrek, aangeboden zijn.
Vandaag is de mogelijkheid om van werk te veranderen voor de arbeidsmigrant beperkt tot de situatie waarin hij ontslagen wordt, of slachtoffer wordt van fraude. Dan heeft die drie maanden de tijd om een nieuwe werkgever te zoeken, die opnieuw een dossier bij de administratie moet indienen. Als hij voldoende heeft gewerkt, heeft hij recht op twee maanden werkloosheidvergoeding, maar in de praktijk is het een hele oefening om dat recht op te nemen.
Wanneer de inspectie dan weer sociale fraude vaststelt, trekt de administratie terecht alle gecombineerde vergunningen in. Maar dat benadeelt ook de werknemer. Na indiening van een klacht zouden arbeidsmigranten een jaar de tijd, in plaats van de 180 dagen die het voorstel van migratiewetboek opneemt, moeten hebben om een nieuwe baan te zoeken, zoals het geval is in Canada en Finland. De VDAB moet hen daarbij ondersteunen.
Geaccrediteerde bureaus
Wie betaalt de migratiekost? Je zou denken dat de werkgever alle onkosten draagt die de migratie met zich meebrengt. Denk aan tussenpersonen of rekruteringsbureaus, voorafgaande opleidingen, vertalingen van documenten, de visa-aanvraag, reiskosten … maar daarrond is bijna niets geregeld. De wet schrijft enkel voor dat de migratieaanvraag gratis is voor de toekomstige werknemer.
Maar niets is minder waar. Na het Borealis-schandaal met slachtoffers van mensenhandel in de Antwerpse haven kregen we verhalen te horen over duizenden euro’s die arbeidsmigranten moesten betalen aan rekruteringsbureaus in hun land. In een dossier van Indiaanse verpleegkundigen liepen de kosten op tot tienduizend euro voor migratiebegeleiding, voor onder meer de nodige opleidingen en huisvesting bij aankomst.
Op die rekruteringsbureaus hebben we nauwelijks vat. Mogelijk zou zijn om enkel rekruteringsbureaus die een link hebben met een Belgische onderneming, zoals interimbureaus, toestemming te geven om te rekruteren voor de Belgische arbeidsmarkt.
We moeten gaan naar een systeem van geaccrediteerde bureaus, of naar een sterk mandaat voor de VDAB om in samenwerking met buitenlandse publieke arbeidsbemiddelingsbureaus de juiste profielen aan te trekken.
Ethisch rekruteren
Een bijkomende voorwaarde is het principe van ethisch rekruteren. Dat houdt rekening met de draagkracht van het rekruterende land en met de brain- en handdrain in het zendland. Enkel landen met een duidelijk overschot aan bepaalde profielen zouden in aanmerking mogen komen, en in sommige landen mag onder geen beding rekrutering plaatsvinden.
Zo’n lijst met verboden landen bestaat, maar wordt niet altijd gerespecteerd. Bottom line is dat de rekrutering niet ontwrichtend mag zijn voor het zendland.
Het huidige beleid is teveel gericht op de noden van werkgevers. Maar de fundamentele vraag is hoe we de afhankelijkheid van de werkgever openbreken.
De Vlaamse regering stemde onlangs een decreet voor ketenaansprakelijkheid en een zorgplicht voor werkgevers die buitenlandse krachten tewerkstelt. Maar die zorgplicht houdt enkel een administratieve controle naar legale tewerkstelling bij de start van het werk in.
Beter is een periodieke controle en een kadaster van alle ondernemingen die op een werf of onderneming aan het werk zijn. Bij vaststelling van illegale tewerkstelling moeten bedrijven voor een bepaalde periode uitgesloten worden van overheidsopdrachten.
We kunnen enkel vaststellen dat er nog een lange weg te gaan is om de nodige bescherming te bieden aan gecombineerde vergunninghouders uit een derde landen. Het huidige beleid is teveel gericht op de noden van werkgevers. Maar de fundamentele vraag is hoe we de te sterke afhankelijkheid van de werkgever openbreken, en vermijden dat arbeidsmigranten na verlies van werk in de illegaliteit verzeilen.

