© Unsplash/ Clay Banks

De nieuwe verstrenging van het recht op gezinshereniging toont: in plaats van de werkelijke impact van beleidswijzigingen, primeren electorale overwegingen. Een kluwen aan wetgeving blijft over waarin migranten, ngo’s, advocaten en zelfs de administratie hun katten niet terugvinden.

Bert Gabriëls, Jurist migratierecht en comedian
 17 november 2025

Op 17 juli 2025 keurde de Kamer een wetsontwerp goed tot wijziging van de Vreemdelingenwet, met de bedoeling het verblijfsrecht op grond van gezinshereniging te beperken. Voor de meeste partners wordt de minimumleeftijd van 18 verhoogd naar 21 jaar. Waar mogelijk, wordt vereist dat het gezinslid dat in België is, hier eerst twee jaar moet verblijven.

Wie gezinsleden naar België wil halen, moet meer bewijzen aanbrengen dat hij over voldoende huisvesting en voldoende inkomen beschikt. De gunstige maatregelen die tot nu toe golden voor gezinshereniging met iemand met internationale bescherming worden beperkt tot gezinsleden van vluchtelingen of gezinsleden die al in het kader van de asielaanvraag waren meegereisd.

België plaatst zich in de korte lijst van landen zonder recht op gezinshereniging voor personen met subsidiaire bescherming.

De andere categorie van internationale bescherming, subsidiaire bescherming, verliest een aantal rechten. Er is geen recht meer voor minderjarigen om hun ouders te laten overkomen en iedereen moet twee jaar wachten en eerst een stevig inkomen kunnen voorleggen, behalve als alleen kinderen komen.

In 2023 kregen 600 personen dit statuut, en in de meeste gevallen gaat het om mensen die gezinsleden hebben achtergelaten. In 2023 werden 616 aanvragen voor nareizende gezinsleden van subsidiair beschermden ingediend. In de toekomst zullen deze personen eerst een verblijf van twee jaar en voldoende huisvesting en inkomen moeten voorleggen. Voor minderjarigen die de ouders hebben achtergelaten, is in een recht op hereniging niet meer voorzien. Zij kunnen wel nog beroep doen op de uitzonderingsprocedure van een humanitair visum.

België plaatst zich met deze maatregel in de korte lijst van landen zonder recht op gezinshereniging voor personen met subsidiaire bescherming. Veertien omringende landen – onder andere Frankrijk, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk – kennen een recht op gezinshereniging voor nareizigers van subsidiair beschermden dat volledig gelijkwaardig is aan dat voor nareizigers van vluchtelingen.

Vijf landen kennen een beperkt recht, bijvoorbeeld Oostenrijk en Hongarije. Slechts in vier landen is er geen recht, zoals in Cyprus of Denemarken.

Beleidsimpact

De reden om specifiek deze categorie te viseren is alleen maar dat Europese regelgeving toelaat om een onderscheid te maken tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden. Het is niet zo dat die laatste groep meer misbruik zou maken van procedures of een grotere impact zou hebben op de samenleving. Wanneer iemand internationale bescherming vraagt, weet die helemaal niet welk van beide statuten zal worden toegekend. Je kunt je statuut niet zelf kiezen.

De Europese regelgeving laat een onderscheid toe, omdat in de categorie van subsidiaire bescherming personen kunnen zitten die zeer tijdelijk hulp behoeven. Dat is ook de reden die minister van Asiel en Migratie Anneleen Van Bossuyt (N-VA) voor het nieuwe onderscheid in de Belgische wet opgaf.

De Raad van State liet weten dat dat argument voor de meesten niet opgaat. Iemand met subsidiaire bescherming krijgt net als een vluchteling na vijf jaar een definitief verblijf en een recht op het statuut van langdurig ingezetene. De minister kon niets anders dan herhalen dat het Europees recht een onderscheid toelaat en dat een strengere aanpak nodig is. Dat er geen andere reden is om het recht op gezinshereniging te schrappen, zet niet alleen de deur open naar een eventuele vernietiging van de bepaling door het Grondwettelijk Hof, het toont ook aan waar de pijnpunten liggen van het migratiebeleid.

Wetgeving wordt vooral opgesteld in functie van andere, hogere regels en in functie van politieke communicatie, en minder in functie van de werkelijke beleidsimpact die ze zou moeten hebben.

Bonafide migranten, malafide praktijken

De hoofdreden om de gezinshereniging strenger te maken, is de bezorgdheid over de huidige asielmigratie. Qua omvang, maar ook qua ongewenste praktijken. De minister benadrukte in het parlement ‘dat het voorkomt dat ouders hun kinderen alleen naar België sturen in de hoop om later via gezinshereniging te volgen’ en ‘dat ze tijdens hun tocht vaak worden blootgesteld aan misbruik’. Die praktijk wordt overigens bevestigd door auteurs die pleiten voor een ruimer recht op gezinshereniging, zoals socioloog Pascal Debruyne.

Een makkelijke procedure voor gezinshereniging voor ouders zou kunnen leiden tot meer gevaarlijke overtochten door minderjarigen. Strenger beleid staat dus niet noodzakelijk voor een onrechtvaardig egoïsme, al komt die framing sommigen electoraal goed uit. Er kan een oprechte bezorgdheid aan ten grondslag liggen om ongewenst gedrag tegen te gaan.

Het conflict tussen advocaten en ngo’s enerzijds en de administratie en het beleid anderzijds, is soms terug te brengen tot dit verschil in perspectief. De advocaat ontmoet veel bonafide migranten wiens levens door de strenge maatregelen ernstig en onterecht worden geschaad, terwijl de administratie veel voorbeelden ziet van malafide praktijken die de dans ontspringen.

Advocaten ontmoeten veel bonafide migranten wiens levens door de strenge maatregelen ernstig en onterecht worden geschaad, terwijl de administratie veel voorbeelden ziet van malafide praktijken.

De vraag is nu of de nieuwe bepalingen het mogelijk maken om het fenomeen van uitgestuurde jongeren te stoppen. De aanvraag louter moeilijker maken, heeft op zich niet tot gevolg dat er minder aanvragen zullen zijn of minder migratie. Wie een verblijf heeft in België en gezinsleden moest achterlaten, zal dan wel langer moeten wachten en meer procedures moeten opstarten om uiteindelijk de gezinsleden te kunnen weerzien, maar het is niet realistisch om te verwachten dat velen daardoor de moed zullen opgeven.

Het valt te verwachten dat het aantal gezinsmigraties dus even groot blijft, maar het aantal procedures per persoon zal verveelvoudigen. Daar zijn nadelen aan verbonden voor de ontvangende samenleving. Langere en onzekerdere procedures leiden tot meer werk voor de administratie en tot een slechtere integratie. De vreemdeling die in België is, moet immers jarenlang veel tijd en geld besteden aan het verzamelen van de nodige documenten, contact houden met het thuisland en gesprekken voeren met advocaten.

Verder blijft het nadeel voor de jongere zelf bestaan, om de jarenlange gewelddadige tocht te maken. Een hereniging van het gezin bemoeilijken, lijkt dus enkel nadelen met zich mee te brengen. Daarom zien de meeste organisaties in de praktijk alleen maar sociale, economische en humanitaire voordelen van een vlottere en zelfs uitgebreidere gezinshereniging.

Schijnhuwelijk

Wie tot een rechtvaardig migratiebeleid wil komen, moet beide argumenten ernstig nemen. Een gezin dat door geweld uit mekaar is gedreven, moet snel herenigd kunnen worden. Maar de praktijk om een kind uit te sturen om zelf te kunnen migreren, moet worden tegengegaan.

Om te weten welke maatregelen beide doelstellingen kunnen dienen, helpt het niet om te kijken naar de hogere rechtspraak of naar de Europese regelgeving. Daarvoor moet je kijken naar de evolutie van migratiebewegingen en naar de invloed die andere maatregelen de laatste decennia hebben gehad. De wetgeving wordt immers al meer dan twintig jaar regelmatig aangepast met de bedoeling om misbruik te vermijden en de instroom te verminderen.

Een gezin dat door geweld uit mekaar is gedreven, moet snel herenigd kunnen worden. Maar de praktijk om een kind uit te sturen om zelf te kunnen migreren, moet worden tegengegaan.

Zo werd in 2011 de voorwaarde van inkomen toegevoegd, en werden alle voorwaarden die gelden voor gezinsleden van derdelanders ook opgelegd aan gezinsleden van Belgen. De redenen daarvoor waren toen de hoge visumcijfers en misbruik van de procedure. Daarbij verwees men onder andere naar de hoge echtscheidingscijfers van koppels die van de procedure gebruik hadden gemaakt.

Achteraf bleek uit onderzoek dat er effectief een opvallend hoog aantal scheidingen was na vier jaar huwelijk bij mannen die trouwden met vrouwelijke tweedegeneratiemigranten. Zo was 8,1 procent van de Marokkaanse mannen en 6,5 procent van de Marokkaanse vrouwen gescheiden binnen de vier jaar na het huwelijk. Dij de Turkse diaspora lagen de percentages op 5 en 3,2 procent, veel hoger dan bij Belgen (2 procent). Dit was duidelijk te wijten aan een bepaalde migratiepraktijk, aangezien het algemene scheidingspercentage lager lag in beide diaspora’s.

De maatregelen van 2011 hadden hun effect, maar de grote verandering in het patroon van huwelijksmigratie was al eerder begonnen. Het aandeel transnationale huwelijken bij diezelfde groepen van Marokkaanse en Turkse afkomst daalde al sinds 2005, van 50 tot 30 procent bij eerstegeneratiemigranten en tot 15 procent bij de tweede generatie.

In 2006 en 2011 zijn enkel versnelde dalingen te zien die toegeschreven kunnen worden aan de aanpassing van de wetgeving. Er is daarnaast een effect van de inkomensvereiste, namelijk dat kortgeschoolden vóór 2011 vaker kozen voor een partner uit het buitenland, maar daarna meer voor een partner uit de eigen gemeenschap in België.

Die resultaten leren ons dat de maatregelen van 2011 waarschijnlijk het gewenste gedrag hebben gestimuleerd van een partnerkeuze in eigen land, geleid hebben tot minder gezinsmigratie en mogelijk ook tot gezinsmigratie met een (verondersteld) hogere kans op goede integratie. In dit geval is de afname van de migratie tijdelijk gebleken en kwamen er andere migratiebewegingen bij.

De instroom van niet-Europese migranten daalde van 51.000 in 2010 tot 38.000 in 2014, maar tegelijk steeg het aantal binnenkomende EU-onderdanen van jaarlijks 54.000 naar 63.000. De daling van niet-Europese migranten werd in 2015 overigens tenietgedaan door vluchtelingen uit Syrië en in 2021 door vluchtelingen uit Oekraïne.

Opvolging

Maar genoemde resultaten leren evenzeer dat de praktijken van gezinsmigratie die gezien werden als misbruik van de procedure niet systematisch zijn opgevolgd. Zijn er sindsdien minder huwelijksmigranten met korte huwelijksperiode en snelle hertrouw? Hebben hun eerste partners iets ondernomen als slachtoffer? Was de inkomensvereiste voor deze groep van belang of helemaal niet? Was de huwelijksleeftijd een relevante factor?

Zonder die informatie kun je niet nagaan of de wetswijziging effectief heeft bijgedragen tot minder misbruik. In de memorie van toelichting bij de recente wetswijziging van juli 2025 klinkt het dat er nog steeds ‘gedwongen huwelijken met een Belg, ook na de leeftijd van achttien jaar plaatsvinden met als enige doel een recht op verblijf in België te verkrijgen’.

Als dat zo is, had er veel eerder ingegrepen moeten worden. De administratie had de middelen moeten krijgen om op basis van beschikbare gegevens bij de FOD Justitie over huwelijken en echtscheidingen, samen met het parket en het gerecht, de gevallen te identificeren waarin er sprake is van misbruik, dat misbruik te sanctioneren, en volgende gevallen te voorkomen.

Binnen de regering heerst de idee dat het hoogst mogelijke resultaat voor het beleid bestaat in een wijziging van de wet. In praktijk betekent dat soms enkel meer werklast voor de administratie en worden de effecten ervan nooit gemeten.

Een dergelijke aanpak vergt geen gedetailleerde wetgeving met extra voorwaarden, maar een duidelijk mandaat voor alle betrokken administraties. Binnen de regering heerst de idee dat het hoogst mogelijke resultaat voor het beleid bestaat in een wijziging van de wet. Dat heeft ten dele te maken met communicatie, want een nieuwe wet is een sterk signaal. Maar ook met het geloof dat daarmee een werkelijk fundamentele aanpak gegarandeerd is. In praktijk betekent een andere wetgeving soms enkel meer werklast voor de administratie, kan het een averechts effect hebben en worden de effecten ervan gewoon nooit gemeten.

Enkele jaren later geeft de administratie dan aan de volgende regering het signaal dat er nog steeds misbruiken zijn, wordt er opnieuw gezocht naar strengere wetgeving, naar extra voorwaarden, enzovoort.

Onnodige wetten

Eigenlijk is het helemaal niet de taak van de regering om wetgeving op te stellen en is ze daar ook niet goed voor uitgerust. Een regering moet besturen. Ze moet de administratie de middelen geven om over alle gegevens te beschikken om onwenselijke fenomenen te detecteren en tegen te gaan. De wetgeving stelt idealiter algemene grenzen en proportionele middelen vast, liefst met het oog op de lange termijn.

De dynamiek binnen een regering daarentegen is niet op die lange termijn gericht. In feite nemen ze ad-hocbestuursmaatregelen, maar formuleren ze die vandaag in de vorm van wetgeving. Dat leidt tot wetten die de administraties meer werk geven, maar niet de vrijheid om bij te sturen als de gewenste impact niet volgt.

In feite neemt de regering ad-hocbestuursmaatregelen, maar formuleert ze die vandaag in de vorm van wetgeving.

Het moet mogelijk zijn om, in plaats van wetgeving, concrete doelstellingen op te leggen en de administratie de vrijheid te geven om te kiezen hoe ze die doelstellingen bereikt. Daarvoor zijn in de eerste plaats politiek vertrouwen nodig in de administratie en een serieus engagement van die administratie om beslissingen op maat te nemen, met respect voor alle beginselen van behoorlijk bestuur en met volledige transparantie.

De energie die kabinetten nu steken in wetteksten eindeloos bijvijlen, kunnen ze dan kwijt in de vraag hoe verschillende departementen effectief kunnen samenwerken om de beleidsdoelstellingen te behalen. Dat brengt de focus binnen de regering eindelijk weer naar waar die moet liggen: besturen. Een regering die vat heeft op wat er in praktijk gebeurt, zou ze de trofee van een nieuwe wet niet nodig hebben. Ze zou kunnen communiceren over een effectief bereikt resultaat.

Een regering die vat heeft op wat er in praktijk gebeurt, zou ze de trofee van een nieuwe wet niet nodig hebben. Ze zou kunnen communiceren over een effectief bereikt resultaat.

Daadkracht

Wat huwelijksmigratie betreft, is er minder nood aan extra regels en vooral aan samenwerking die maakt dat alle migraties via korte huwelijken effectief worden gedetecteerd, opgevolgd en gesanctioneerd. Dat is weliswaar moelijker voor het fenomeen waarbij iemand wordt uitgestuurd om vervolgens het gezin te laten overbrengen.

Om te vermijden dat een jongere een gevaarlijke tocht onderneemt, moet de jongere eerder worden tegengehouden. Er vindt heel wat geweld plaats bij grensoversteken van Griekenland naar België, en dus in het traject binnen de Europese Unie. Dat deel van het probleem kunnen we zelf weghalen met een degelijke Europese samenwerking.

Nu worden enkele tientallen kinderen die al in België zijn het recht ontnomen om te herenigen met hun ouders, louter omdat het een juridische optie is die anderen zou kunnen afschrikken. Al kunnen zij nog hopen op het statuut van vluchteling of een oplossing vinden via een humanitair visum, wat het effect op het migratiegedrag beperkt.

Een andere optie is om van bij het eerste interview na te gaan wat de beste oplossing is voor de jongere en het gezin, en daarbij meer opties te bieden dan enkel een vast verblijf. Een werk- of studievisum in België, met de mogelijkheid om het gezin regelmatig te bezoeken, is bijvoorbeeld voor velen een denkbaar compromis, maar juridisch geen bestaande optie.

Dat een ouder de jongere onder druk zet, zou dan weer moeten leiden tot een beperking van de rechten van die ouder, maar ook dat is juridisch geen optie. Dit soort afwegingen en beslissingen op maat zijn niet in gedetailleerde wetten te gieten, maar vergen samenwerking binnen alle bevoegde instellingen van de overheid.

Op dit moment is er in België geen enkel overheidsorgaan dat die taak op zich neemt. De regering zou die taak moeten vervullen, maar heeft daar geen tijd voor. Omdat ze te druk bezig is met de zoektocht naar wetten die daadkracht communiceren naar de achterban.

Abonnement De Gids

Neem een abonnement op De Gids!

Aanbevolen

Fachtcheck: Zijn Belgische werknemers niet flexibel?

Uit cijfers van Steunpunt Werk blijkt dat Belgische werknemers vaak flexibel werken. Zeker wat betreft deeltijds werk en weekendwerk zitten we boven...
   02 december 2025

De dunne grens tussen arbeidsmigratie en sociale dumping

In de bouwsector is sociale dumping kopzorg nummer één, dat bleek onlangs nog in de Pano-reportage over detacheringsmisbruik. Controle,...
   27 november 2025

'Maak van zorg weer het hart van de samenleving'

De zorg stevent af op een infarct door de toenemende vergrijzing en de personeelstekorten. Hoe kunnen we het tij keren? Over die vraag bogen...
   24 november 2025

Begrotingsakkoord: 'Lonen gedrukt, zorg duurder'

Plots was er een begrotingsakkoord. Gewone gezinnen mogen opnieuw opdraaien, waarschuwen ACV en CM. Ze zien harde ingrepen die lonen drukken en zorg...
   24 november 2025