Een recent wetsvoorstel (Parl.St. Kamer 56-686 van 28 januari 2025) wil vakbonden verplicht rechtspersoonlijkheid verlenen. Het Federaal Instituut voor de Rechten van de Mens (FIRM) formuleerde hier een scherp advies op. Het wetsvoorstel, zo stelt het FIRM, raakt aan fundamentele vrijheden zoals de vrijheid van vereniging, de vakbondsvrijheid, het recht op collectieve actie, zoals stakingen, en het gelijkheidsbeginsel.
In België zijn vakbonden vandaag feitelijke verenigingen. Dat zijn groeperingen die leden samenbrengen rond een gemeenschappelijk doel, zonder dat ze als aparte juridische persoon bestaan. In België is er slechts zeer zelden een verplichting voor organisaties om rechtspersoonlijkheid aan te nemen.
De wetgever heeft vakbonden die verplichting nooit opgelegd, al heeft hij ze in de loop der jaren wel specifieke rechten toegekend. Zo kunnen vakbonden collectieve arbeidsovereenkomsten sluiten, hun leden verdedigen voor de arbeidsgerechten en kandidaten voordragen bij de sociale verkiezingen. Toch hebben ze niet dezelfde mogelijkheden als rechtspersonen. Ze mogen bijvoorbeeld geen onroerend goed bezitten en hun toegang tot de rechtbank is beperkter.
Het wetsvoorstel van MR-volksvertegenwoordiger Benoit Piedboeuf bepaalt dat vakbonden rechtspersoonlijkheid moeten aannemen om hun kernopdrachten te kunnen blijven uitvoeren, zoals zetelen in ondernemingsraden.
Om die grenzen te compenseren hebben vakbonden structuren opgericht die wel rechtspersoonlijkheid hebben, meestal in de vorm van verenigingen zonder winstoogmerk. Daarmee beheren ze gebouwen, personeel en ook de uitbetalingsinstellingen voor werkloosheidsuitkeringen. Op die manier is er al een zekere transparantie en controle ingebouwd.
Het wetsvoorstel, ingediend door MR-volksvertegenwoordiger Benoit Piedboeuf, bepaalt nu dat vakbonden rechtspersoonlijkheid moeten aannemen om hun kernopdrachten te kunnen blijven uitvoeren: zetelen in ondernemingsraden, deelnemen aan paritaire comités, collectieve arbeidsovereenkomsten afsluiten en aanwezig zijn in onderhandelingscomités van de openbare sector. Volgens het FIRM gaat dit veel verder dan een organisatorische ingreep. Het voorstel raakt de kern van de vrijheid van vereniging, de vrijheid van betogen en van de vakbondsvrijheid.
Vrijheid van vereniging
Het internationaal mensenrechtenrecht bevat geen specifieke regel over de rechtspersoonlijkheid van vakbonden. Maar de Belgische Grondwet en internationale verdragen beschermen wel het recht om zich vrij te verenigen. Ook feitelijke verenigingen vallen daaronder. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stelde al dat het onaanvaardbaar is om een groep te dwingen een juridische vorm aan te nemen die de oprichters niet willen.
Door vakbonden te verplichten rechtspersoonlijkheid aan te nemen, legt de wetgever hen een structuur op die hun autonomie inperkt. Het Wetboek van vennootschappen en verenigingen schrijft immers regels voor over interne besluitvorming, ledenregisters en openbaarmaking van rekeningen. Het FIRM wijst erop dat zulke inmenging strijdig kan zijn met het recht van vakbonden om zelf hun reglementen, bestuur en werking te bepalen en het risico vergroot op discriminatie van vakbondsleden wanneer geweten is dat ze lid zijn.
Als vakbonden verplicht worden hun volledige boekhouding openbaar te maken, betekent dit ook openheid over hun stakingskassen. Dat kan hun onderhandelingspositie ernstig ondermijnen.
Een van de voornaamste doelstellingen van het wetsvoorstel is meer transparantie, vooral op financieel vlak. Het FIRM erkent dat transparantie bij overheidsinstanties essentieel is, maar benadrukt dat vakbonden geen overheden zijn.
Als vakbonden verplicht worden hun volledige boekhouding openbaar te maken, betekent dit ook openheid over hun stakingskassen. Dat kan hun onderhandelingspositie ernstig ondermijnen. Wie weet hoeveel middelen een vakbond heeft om een staking te ondersteunen, weet ook hoe lang zo’n actie kan standhouden. Daardoor zou het recht op collectieve onderhandelingen en het stakingsrecht zijn effectiviteit verliezen. Het advies besluit dat dit de vrijheid van vereniging schaadt.
Een ander risico is de toename van zogenaamde SLAPP-procedures. SLAPP staat voor Strategic Litigation (of Lawsuit) Against Public Participation. Het gaat over misbruik van gerechtelijke procedures, waarbij rechtszaken strategisch worden aangespannen om publieke participatie te bemoeilijken. De bedoeling is om organisaties te verzwakken door hen tijd en geld te kosten, en zo hun deelname aan het maatschappelijk debat te beperken.
Wereldwijd en in Europa zijn SLAPP’s een groeiend probleem, waarbij ook vakbonden geviseerd worden. Het FIRM waarschuwt dat rechtspersoonlijkheid de drempel verlaagt om zulke procedures tegen Belgische vakbonden te starten.
Tegenmacht
Het behoud van de rechtsstaat berust op een complex systeem van checks and balances. Vakbonden spelen daarin een belangrijke rol. Ze treden op als tegenmacht voor het optreden van overheden en werkgevers om de belangen van werknemers te verdedigen.
Niet alleen het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, maar bijvoorbeeld ook het Europees Comité voor Sociale Rechten en de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) beschouwen vakbondsvrijheid als een essentieel instrument voor sociale dialoog, sociale rechtvaardigheid en vrede. Door hun middelen en autonomie te verzwakken, verliest de samenleving een van de mechanismen die nodig zijn om de macht van overheden te controleren en mensenrechten te beschermen. Afbreuk aan de actiemiddelen van de vakbonden heeft een directe weerslag op de kwaliteit van de rechtsstaat.
Afbreuk aan de actiemiddelen van de vakbonden heeft een directe weerslag op de kwaliteit van de rechtsstaat.
Het wetsvoorstel creëert ook spanningen met het gelijkheidsbeginsel. Dat principe, vastgelegd in de Grondwet, eist dat vergelijkbare groepen op een gelijke manier worden behandeld. Andere organisaties in België hebben de vrijheid om te kiezen of ze rechtspersoonlijkheid aannemen of niet. Denk maar aan de Belgische katholieke Kerk of aan de bisdommen, die geen rechtspersoonlijkheid hebben.
Politieke partijen zijn vaak feitelijke verenigingen en dat is wettelijk toegestaan. Ook werkgeversorganisaties zijn vrij om hun juridische vorm te bepalen, al kiezen de meesten voor een vzw. Door enkel vakbonden te verplichten rechtspersoonlijkheid aan te nemen, behandelt de wetgever hen ongelijk zonder overtuigende rechtvaardiging. Volgens het FIRM vormt dat een schending van het gelijkheidsbeginsel.
Stakingsrecht
Het wetsvoorstel maakt het bovendien mogelijk om vakbonden burgerlijk en strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor schade die ontstaat tijdens collectieve acties. Dit zou betekenen dat een vakbond schade moet vergoeden die ontstaat tijdens een staking of betoging waar een en ander uit de hand loopt. Dit vormt een bedreiging zowel voor de vrijheid van betogen als van het stakingsrecht.
Wat de vrijheid van betogen betreft, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bepaald dat vreedzame deelnemers niet mogen worden gesanctioneerd voor daden van anderen. Zelfs een kleine boete kan volgens het Hof het recht op vreedzame vergadering aantasten. Het opleggen van schadevergoedingen aan vakbonden, ook wanneer ze zelf geen onrechtmatige daden stellen, staat dus op gespannen voet met de vrijheid van vergadering.
Daarnaast is er een belangrijk risico voor het stakingsrecht. Dat wordt internationaal erkend als een fundamenteel syndicaal recht. Het Europees Comité voor Sociale Rechten noemt het ‘intrinsiek verbonden’ met het recht op collectieve onderhandelingen.
Stakingen brengen per definitie economische schade mee voor werkgevers. Dat maakt deel uit van hun functie als drukmiddel. Het opleggen van een algemene verplichting tot schadevergoeding zou volgens het FIRM neerkomen op een onevenredige beperking van dit recht. Het zou vakbonden ontmoedigen om nog collectieve acties te voeren.
In het verleden werd België al veroordeeld voor het gebruik van eenzijdige verzoekschriften om stakingen te verbieden, omdat vakbonden daarbij niet gehoord werden.
Hierbij dient nog een belangrijke opmerking te worden gemaakt wat betreft eenzijdige verzoekschriften. In het verleden werd België namelijk al veroordeeld voor het gebruik van eenzijdige verzoekschriften om stakingen te verbieden, omdat vakbonden daarbij niet gehoord werden. Het FIRM klaagde recent nog misbruik van die procedure aan, vooral in de distributiesector. In principe zou het toekennen van rechtspersoonlijkheid de tegensprekelijkheid van de procedure kunnen verbeteren.
Het valt echter te verwachten dat rechtspersoonlijkheid alleen dit probleem niet zal oplossen. Werkgevers zouden nog steeds via eenzijdige verzoekschriften collectieve acties proberen te beperken. Om het beginsel van tegenspraak te garanderen, is een duidelijke wettelijke beperking van die procedure nodig.
Fundamenteel dilemma
Vakbonden zouden moeten kiezen tussen twee onaanvaardbare opties: ofwel rechtspersoonlijkheid aannemen en daarmee hun autonomie en slagkracht verliezen, ofwel feitelijke verenigingen blijven maar uitgesloten worden van het sociaal overleg. In beide gevallen worden kernaspecten van vakbondsactiviteiten aangetast of zelfs geëlimineerd.
Het FIRM is dan ook duidelijk: het wetsvoorstel is onverenigbaar met de mensenrechten. Het doet afbreuk aan de vrijheid van vereniging, de vrijheid van betoging, het recht op collectieve onderhandelingen en het stakingsrecht. Bovendien riskeert de voorgestelde regeling het gelijkheidsbeginsel te schenden.
Het debat over de rechtspersoonlijkheid van vakbonden gaat niet alleen over juridische structuren of transparantie. Het raakt aan de fundamenten van de democratische rechtsstaat en aan de rechten van werknemers. Het FIRM waarschuwt dat de wetgever voorzichtig moet zijn: een ingreep die bedoeld is om duidelijkheid en orde te scheppen, kan in werkelijkheid leiden tot een verzwakking van fundamentele vrijheden.

