De aanval van Donald Trump op ontwikkelingssamenwerking (OS) riep wereldwijd verontwaardiging op. Wat velen vooral stoort, is niet alleen de aanval zelf, maar ook de manier waarop die wordt uitgevoerd. Trump gebruikt ongefundeerde en zelfs onjuiste verdachtmakingen om USAID – het hart van het Amerikaanse OS-beleid – onderuit te halen.
Miljarden aan hulpgelden worden geschrapt met het argument dat ze zouden zijn ingezet voor ‘radicale, linkse prioriteiten zoals klimaatverandering, diversiteit, gelijkheid, inclusie (DEI), en LGBTQ-activiteiten wereldwijd.’ Deze bezuinigingen hebben ernstige gevolgen. Honderdduizenden mensen dreigen bijkomend te sterven door ziekte of honger én wat overblijft aan buitenlandse hulp wordt steeds meer ingezet als instrument voor Amerikaans eigengewin.
Terwijl westerse landen schande spreken van Trump’s destructieve beleid, blijven daadwerkelijke financiële compensaties uit. Sterker nog, zij bezuinigen zelf ook – en niet zo’n beetje.
Wat minstens zo verontrustend is, is de hypocrisie van andere westerse donoren. Terwijl zij schande spreken van Trump’s destructieve beleid, blijven daadwerkelijke financiële compensaties uit. Sterker nog, zij bezuinigen zelf ook – en niet zo’n beetje. De cijfers spreken boekdelen. Tussen 2019 en 2023 steeg de officiële ontwikkelingshulp (ODA – Official Development Assistance) volgens OESO-cijfers van de 32 landen in het Development Assistance Committee (DAC) gestaag, tot een recordbedrag van 226 miljard dollar in 2023. Maar een jaar later was daar al 9 procent van verdampt, omdat twintig landen hun bijdrage verlaagden.
En het ergste moet nog komen: de DAC zelf voorspelt voor 2025 een daling van nog eens 9 tot 17 procent. Het Verenigd Koninkrijk schuift 0,2 procent van het bruto nationaal inkomen (BNI) van het hulpbudget door naar het defensiebudget. Nederland kondigt bezuinigingen aan die oplopen tot 2,4 miljard euro op jaarbasis vanaf 2027. De huidige Belgische regering wil zijn hulpbudget tegen het einde van de legislatuur met 25 procent inkorten. Wie de schoen past, trekke hem aan.
De huidige Belgische regering wil zijn hulpbudget tegen het einde van de legislatuur met 25 procent inkorten.
Er is al decennialang een internationale afspraak dat rijke landen inspanningen leveren om minstens 0,7 procent van hun BNI aan ontwikkelingshulp te besteden. De meeste landen negeren deze afspraak structureel. Sinds 1975 hebben slechts acht DAC-landen ooit de norm gehaald. Zweden, Noorwegen en Denemarken haalden de grens in respectievelijk 1975, 1976 en 1978, en zijn sindsdien altijd op of boven de 0,7 procent gebleven, al was dat soms met de hakken over de sloot.
Nederland was er ooit trots op dat het tot die groep behoorde. Sinds 2012 is het percentage echter onder de 0,7 procent gebleven. Het Verenigd Koninkrijk haalde niet alleen de norm, het verankerde deze zelfs in de wet – om diezelfde wet in 2021 weer in de ijskast te zetten. Tussen 2020 en 2023 zat ook Duitsland boven de norm om in 2024 opnieuw onder de grens uit te komen.
Kloof tussen belofte en schuld
Die 0,7 procent-afspraak is nooit verder gekomen dan een inspannings-belofte, maar wel een die de donorgemeenschap tig keer heeft herhaald sinds 1970. In 2020 berekende Oxfam in het rapport 50 Years of Broken Promises dat donoren nog 5,7 biljoen (5.700.000.000.000) dollar aan hulpgelden verschuldigd zijn.
Toen de ontwikkelingssector in 2023 jubelde dat er nog nooit zoveel aan officiële hulp was uitgegeven (223 miljard dollar), was er niemand die erop wees dat dat eigenlijk nog steeds 198 miljard dollar minder was dan beloofd. In 2024 liep de kloof tussen belofte en schuld op tot 237 miljard dollar.
Daarbij moeten we niet uitsluitend de VS met de vinger wijzen. Onderstaande figuur laat zien wat de vijftien grootste Europese DAC-donoren in 2023 – het jaar met tot nu toe de hoogste uitgaven aan ontwikkelingshulp (ODA) – daadwerkelijk hadden moeten bijdragen. Uiteraard zouden Duitsland, Noorwegen, Zweden en Denemarken in 2023 iets minder hebben moeten geven (ze zitten immers boven de 0,7 procent-grens), maar dat wordt ruimschoots tenietgedaan door de andere donoren. Overigens zijn de Verenigde Staten niet alleen in absolute zin de grootste donor, maar ze hebben ook de hoogste ODA-schuld opgebouwd
Wat hadden de vijftien grootste Europese donoren moeten geven in 2023? (Bron: DAC-data)
Schuldig verzuim
We lijken als burgers weinig weet te hebben van hoeveel we als land aan ‘hulp’ geven. Stel die vraag aan een willekeurige burger en de kans is groot dat je een compleet verkeerd antwoord krijgt.
Neem de Verenigde Staten, in een recente peiling van ngo KFF wist slechts 11 procent van de ondervraagden hoeveel van het overheidsbudget naar ontwikkelingshulp gaat. Het gemiddelde gokpercentage? Een bizarre 26 procent.
Waarom dat belangrijk is? Omdat misvattingen beleid beïnvloeden. Als mensen denken dat we véél meer geven dan in werkelijkheid het geval is, dan groeit het draagvlak om erop te bezuinigen. Maar vertel je hun het echte cijfer, dan blijken ze vaak helemaal niet zo kritisch meer. Vergelijkbaar recent onderzoek aan deze kant van de oceaan ontbreekt helaas, maar als cijfers van het centrum voor burgerschap en internationale samenwerking NCDO uit 2012 nog indicatief zijn, dan belooft dat weinig goeds. Toen dachten Nederlanders dat ze acht keer zoveel aan hulp uitgaven als ze daadwerkelijk deden.
In een onderzoek van 2012 dachten Nederlanders dat ze acht keer zoveel aan hulp uitgaven als ze daadwerkelijk deden.
De vraag blijft of de gemiddelde burger op de hoogte is waaraan ODA-gelden eigenlijk worden besteed. Zou de gemiddelde Belg, Nederlander of Duitser weten dat een fors deel van het geld dat hun overheden aan ‘hulp’ besteden het eigen land nooit verlaat? Bijvoorbeeld omdat het wordt uitgegeven aan de opvang van vluchtelingen in het donorland zelf.
De groei in de ODA-uitgaven voor die opvang was een van de redenen achter de ODA-groei tussen 2019-2023. In 2023 gaven DAC-donoren gemiddeld ruim 13 procent van hun ODA-budget uit aan binnenlandse vluchtelingenopvang. In sommige landen, zoals Polen, Ierland en Tsjechië, liep dat op tot boven de 50 procent. In 2024 nemen deze vluchtelingen-uitgaven onder ODA weer af en daarmee hebben we meteen een van de belangrijkste oorzaken achter de daling van de totale ODA-budget in 2024 te pakken.
Zou de gemiddelde Belg, Nederlander of Duitser weten dat een fors deel van het geld dat hun overheden aan ‘hulp’ besteden het eigen land nooit verlaat?
Een andere oorzaak van de daling in ODA-uitgaven in 2024 is de afname van hulp aan Oekraïne door een deel van de donoren. Juist die hulp was in voorgaande jaren een belangrijke aanjager van de groei. In 2021 was India nog de grootste ontvanger van bilaterale DAC-hulp, met 4,6 miljard dollar. In 2022, na de Russische inval, nam Oekraïne die positie over. De bilaterale hulp aan Oekraïne schoot dat jaar omhoog naar ruim 18 miljard dollar – bijna 19 keer zoveel als in 2021. Ook in 2023 bleef dat niveau hoog, maar in 2024 daalde het ineens met 16,7 procent.
Oekraïne is wat dat betreft een uitzonderingsgeval. Je zou verwachten dat ODA vooral naar de armste landen gaat – het is tenslotte bedoeld om armoede te bestrijden. In de praktijk ontvingen de Minst Ontwikkelde Landen (Least Developed Countries) voor 2022 slechts zo’n 30 procent van alle netto ODA van DAC-donoren. Dat aandeel zakte in 2023 naar 24 procent en daalde in 2024 verder.
0,0007 dollar per dag
De hulp verschilt bovendien sterk per ontvangend land – zeker als je kijkt naar de hulp per hoofd van de bevolking. In 2023 ontvingen de inwoners van 139 ontwikkelingslanden gemiddeld 380 dollar per persoon. Dat klinkt redelijk, maar is in werkelijkheid net iets meer dan 1 dollar per dag. En zelfs dat cijfer is vertekend: kleine eilandstaten als Wallis en Fortuna, Niue, Tokelau en Tuvalu ontvangen weliswaar beperkte hulpbedragen, maar hebben zo’n kleine bevolking dat de hulp per hoofd oploopt tot duizenden dollars.
Laat je de tien uitzonderlijke landen – zoals deze eilandstaten – buiten beschouwing, dan zakt het gemiddelde ODA-bedrag per hoofd in de resterende 129 ontwikkelingslanden naar slechts 51 dollar per jaar – oftewel 14 cent per dag. Daar sla je geen deuk mee in een pak boter. In bijna honderd ontwikkelingslanden is het beeld nog schrijnender. In 2023 kreeg elke Indiër gemiddeld 0,0007 dollar per dag, elke Vietnamees 0,02 dollar, elke Congolees bijna 0,05 dollar en elke Ethiopiër net iets meer dan 0,06 dollar.
De speciale VN-gezant voor Haïti rapporteerde vorig jaar dat minder dan de helft van de beloofde hulp na de aardbeving van 2010 effectief werd gegeven.
Daar komt bij dat donoren grillig zijn. Voor landen die afhankelijk zijn van buitenlandse hulp maakt dat structurele planning vrijwel onmogelijk – ze weten simpelweg niet of het geld volgend jaar nog komt. De Verenigde Staten onder Trump zijn daar een extreem voorbeeld van, maar ook andere donoren – inclusief Europese – houden zich vaak niet aan hun beloften. Het 0,7 procent-debacle is daar het bekendste voorbeeld van, maar geldt evengoed voor tal van andere toezeggingen.
Neem Haïti, een land dat zeer hulp-afhankelijk is. Tussen 2010 en 2020 beloofden donorlanden, waaronder de Europese, meer dan 13 miljard dollar aan noodhulp en geld voor de heropbouw na de vernietigende aardbeving van 2010. De speciale VN-gezant voor Haïti rapporteerde vorig jaar dat minder dan de helft van die beloofde middelen effectief werden gegeven.
Er zijn dus genoeg redenen om niet alleen de VS, maar ook Europese landen schuldig te verklaren aan verzuim. Maar, en dat willen we nu ook nog duidelijk maken, er is niet alleen sprake van schuldig, maar ook van dom verzuim.
Dom verzuim
Ontwikkelingssamenwerking wordt vaak voorgesteld als een vorm van liefdadigheid, een morele plicht van rijke landen ten opzichte van armere regio’s. Maar wie iets dieper kijkt, merkt dat deze hulp niet alleen een altruïstische daad is, maar sterke wederkerige effecten heeft. In economische termen spreken we dan bijvoorbeeld van flow back, ofwel terugverdieneffecten van hulp. Deze effecten zijn aanzienlijk en verdienen meer erkenning in het publieke en politieke debat.
Een deel van de hulp gebeurt via leningen die op termijn terugbetaald worden. Niet alleen vloeit het geleende kapitaal dus terug naar de donorlanden, vaak komen daar interesten bij. Daarnaast is er de aankoop van goederen en diensten: een groot deel van wat in het kader van hulpverlening wordt aangeschaft, wordt geleverd door bedrijven uit de donorlanden zelf.
België werd in het coronajaar 2022 het op een na belangrijkste land voor de aankopen van de VN. Meer dan 1,7 miljard dollar vloeide op die manier naar België – meer dan wat het zelf aan bijdragen levert aan de VN.
Hoewel een volledig globaal overzicht ontbreekt, geven de Verenigde Naties hierover transparante cijfers. In 2023, bijvoorbeeld, deden ze voor zo’n 25 miljard dollar aan aankopen van bijvoorbeeld geneesmiddelen, voedsel of bouwmateriaal. Ongeveer een derde werd in Europa aangekocht en België speelde hierbij een sleutelrol. Als wereldspeler in de productie van essentiële medicijnen werd België in het coronajaar 2022 het op een na belangrijkste land voor de aankopen van de VN. Meer dan 1,7 miljard dollar vloeide op die manier naar België – meer dan wat het zelf aan bijdragen levert aan de VN.
Die economische terugverdieneffecten van hulp zijn intussen onderwerp van wetenschappelijke analyse. Het gerenommeerde Overseas Development Institute (ODI) concludeerde dat ontwikkelingshulp van de Europese Unie de export naar de ontvangende landen aanzienlijk stimuleert.
De reden is helder. Hulp verlaagt handelsbarrières, verbetert infrastructuur, opent markten en versterkt lokale economieën. Volgens ODI vloeit voor iedere euro die aan hulp wordt gespendeerd bijna een halve euro terug naar de Europese economie door meer handel en economische activiteit, en dus ook meer tewerkstelling, meer fiscale bijdragen, et cetera. Weinig overheidsinvesteringen laten een dergelijk positief terugverdieneffect zien.
Ontwikkelingshulp trekt bovendien andere actoren mee. Het bevordert contacten tussen universiteiten en tussen investeerders. Het biedt een kader voor bedrijven om onbekende markten te leren kennen en het smeedt culturele banden.
Logica van wederzijdse erkenning en samenwerking
De Franse antropoloog Marcel Mauss stelde ooit dat een gift nooit zonder wederkerigheid is. Een gift schept verplichtingen – sociale, morele en zelfs diplomatieke. Ook ontwikkelingshulp schept banden. Onderzoek suggereert dat landen die significante hulp ontvangen, vaak geneigd zijn om de donorlanden politiek tegemoet te komen, bijvoorbeeld bij stemmingen in de Verenigde Naties. Dit hoeft geen cynisme in te houden. Het is de logica van wederzijdse erkenning en samenwerking.
Dit is de reden waarom er op geregelde tijdstip grote topontmoetingen georganiseerd worden waarbij ontwikkelingssamenwerking hoog op de agenda staat. Zoals de recente top van Europese en Afrikaanse landen in april in Brussel. Ook China organiseert al vijfentwintig jaar lang haar China-Africa Cooperation Forum, waar Afrikaanse delegaties gretig aan participeren. Dit creëert wederzijds begrip en banden, zorgt voor gemeenschappelijke standpunten over belangrijke internationale kwesties en legt de basis voor gezamenlijke projecten.
Onderzoek suggereert dat landen die significante hulp ontvangen, vaak geneigd zijn om de donorlanden politiek tegemoet te komen, bijvoorbeeld bij stemmingen in de Verenigde Naties.
Het gevaar als die vertrouwensband wegvalt, wordt schrijnend duidelijk wanneer hulpprogramma’s abrupt worden stopgezet – zoals nu het geval is met de Verenigde Staten. Iedereen zegt dat de VS geen ‘bondgenoot’ meer zijn, niet betrokken en niet betrouwbaar. Dat brengt ons bij een niet te onderschatten dimensie. Wanneer je een partner bent, of pretendeert te zijn, wordt er verwacht dat je blijft investeren in die relatie. In goede en kwade dagen.
Je krijgt het als een boemerang terug in je gezicht als je plotseling ontrouw blijkt. The afterlife of aid hebben onderzoekers aan de Canadese Dalhousie University dat genoemd. In Nigeria, bijvoorbeeld, voelden vrouwen zich verraden toen hun preventieve HIV-medicatie (PrEP) plots niet langer beschikbaar was omdat de VS er geen middelen meer tegenaan wilden gooien. De gevolgen van zo’n beleidswijziging zijn niet louter medisch of logistiek. Ze beïnvloeden vertrouwen, motivatie en zelfs veiligheid.
Electorale steun
De coronacrisis toonde nogmaals hoe verweven onze wereld is. Vervuilde lucht, pandemieën en conflicten trekken zich niets aan van grenzen. Wat wij ‘globale publieke goederen’ noemen – gezondheid, veiligheid, klimaat, vrede – kan alleen collectief worden beschermd. Ontwikkelingshulp is daarin geen bijzaak, maar een cruciale hefboom. In de periode 2007-2011 werd ongeveer 37 procent van alle bilaterale hulp aan deze globale goederen besteed; in 2017-2021 was dat al 60 procent, zo blijkt uit cijfers van de OESO.
Is het geen dom verzuim om hierin te besparen? Denken we nu waarlijk dat dergelijk investeringen niet nodig zijn om ook onze eigen gezondheid, veiligheid en toekomst te garanderen?
En dan komt ook nog eens de politiek om het hoekje kijken. Beleidsmakers die drastisch besparen op ontwikkelingssamenwerking, gaan er vaak van uit dat er weinig electorale steun voor bestaat. Maar kiezers zijn slimmer dan dat en voelen zich meer betrokken bij de ontwikkelingssector dan heel wat politici denken.
Een peiling, gehouden na enkele maanden beleid van de regering-De Wever in België, toonde dat er relatief weinig draagvlak is voor de beperking van ontwikkelingshulp – zeker vergeleken met andere besparingsmaatregelen. Bovendien bevestigt de Eurobarometer dat er in de hele Europese Unie een breed maatschappelijk draagvlak bestaat. Driekwart van de Europeanen vindt dat de EU moet blijven investeren in partnerlanden buiten de Unie. Vooral jongere generaties tonen zich bewust van de noodzaak van internationale solidariteit.
Dat maatschappelijk engagement weerspiegelt zich niet alleen in peilingen. In zowel België als Nederland alleen al zijn er honderden niet-gouvernementele organisaties, van Oxfam tot Artsen Zonder Grenzen. Daarnaast is er een grote vierde pijler, of particuliere initiatieven zoals ze in Nederland bekend staan: duizenden kleinschalige initiatieven van burgers, scholen, vakbonden, bedrijven en verenigingen die zélf internationale solidariteitsprojecten opzetten. Ontwikkelingssamenwerking is geen abstract, politiek thema, maar iets wat tienduizenden mensen als zinvol, noodzakelijk en verbonden met hun eigen leefwereld ervaren.
Minder investeren in internationale solidariteit is dus niet alleen schuldig verzuim om iets te doen voor je noodlijdende medemens. Het is ook bijzonder dom. Je doet niet wat je eigen bevolking wil dat je doet en je werkt niet aan een duurzame toekomst voor je eigen burgers.


