Vandaag is een op de vijf 12- tot 75-jarigen niet sportactief, zo blijkt uit ons onderzoek naar een halve eeuw sportparticipatie in Vlaanderen. Twintig procent sportinactieven, dat lijkt een relatief klein en nog makkelijk te overtuigen aandeel. Achter dat cijfer schuilt evenwel een patroon van sociale ongelijkheid. Want ondanks de sterke popularisering van de actieve deelname aan sport en sportpromotiebeleid door de overheid, is deze vrijetijdsbesteding nog steeds niet gedemocratiseerd.
Mensen met een lager opleidingsniveau, een lager inkomen of een migratieachtergrond zijn beduidend minder sportactief. Zij genieten dus minder van de voordelen die sportbeoefening zowel fysiek, mentaal als sociaal met zich meebrengt. Die ongelijkheid heeft een impact op onze samenleving als geheel en niet alleen op de groep die inactief is. We hebben er dus alle belang bij om de kloof tussen sporters en niet-sporters zo klein mogelijk te maken.
Dat kan bijvoorbeeld en bij voorkeur door prioriteit te geven aan sportparticipatiekansen voor maatschappelijk kwetsbare groepen. Naast de overheid is hier ook een verantwoordelijkheid weggelegd voor het sportmiddenveld: het geheel aan non-profit sport- en beweegaanbieders. Per 100 000 inwoners telt Vlaanderen 423 sportclubs. Met dat sportverenigingskapitaal behoren we internationaal tot de top.
Laten we die rijkdom benutten om zoveel mogelijk mensen uit alle sociale geledingen een vergelijkbare kans te geven om actief aan sport te doen. Vijftig jaar geleden lag Vlaanderen in Europa mee aan de basis van het Sport voor Allen-beleid. Kan datzelfde Vlaanderen nu een pioniersrol vervullen in een heus Sport door Allen-beleid?
